Kan een r. katholiek BEHOUDEN worden?
I. Krachtens de r.k. leer NIET,
A. Althans zoals die leer is vastgesteld voornamelijk op het concilie van Trente en zoals die tot voor kort algemeen werd geïnterpreteerd.
De Bijbel zegt, dat wij slechts behouden worden :
1. OM NIET......
2. UIT GENADE......
3. DOOR HET GELOOF IN JEZUS CHRISTUS.
Uit de vele teksten, die dit leren neem ik slechts deze:
„Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, iri zijn bloed......"
(Rom. 3:23-25)
1. De r.k. kerk leert echter :
dat de mens het eeuwige leven „werkelijk verdienen" kan, en spreekt de vervloeking uit over iemand die het tegendeel zou beweren (Conc. Trid. Sess. VI, can. 32) Maar wanneer wij ons eeuwige leven verwerven zouden op grond van onze verdiensten, dan is het niet meer OM NIET. Of zoals Paulus het kernachtig zegt: „Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de genade geen genade meer" (Rom. 11:6).
2. De r.k. kerk leert :
„Indien iemand beweert, dat men voor de zonden, wat hun tijdelijke straf betreft, geen voldoening kan brengen aan God door de verdiensten van Christus op grond van de straffen, die God aan iemand overzendt en die hij geduldig draagt, ofwel op grond van straffen die de priester hem oplegt en evenmin op grond van straffen, die hij zichzelf vrijwillig oplegt, zoals vasten, gebeden, aalmoezen of ook andere vrome werken, en dat dus de beste boetedoening slechts bestaat in het nieuwe leven, die zij vervloekt" (Conc. Trid. Sess. XIV, can. 13).
„Indien iemand beweert, dat na het ontvangen van de genade van de rechtvaardiging de zonde op een dergelijke wijze aan de berouwvolle zondaar vergeven wordt en van de eeuwige straf wordt ontheven, dat er voor hem ook geen tijdelijke straf meer overblijft, die hij zal moeten uitboeten hetzij tijdens dit leven, hetzij hiernamaals in het vagevuur, alvorens de toegang tot het rijk der hemelen voor hem opengaat, die zij vervloekt" (Conc. Trid. Sess. VI, can. 30).
Paulus zegt echter heel duidelijk: „Want allen, die het van werken der wet ver wachten, liggen onder de vloek" (Gal. 3:10).
3. De r.k. kerk leert:
„Het geloof dat „het begin is van het menselijk heil", ....is een bovennatuurlijke deugd, waardoor wij.... geloven dat wat God geopenbaard heeft, waar is". (Conc. Vat. I, Sess. 3) „Indien iemand beweert, dat de mens slechts gerechtvaardigd wordt door de toerekening van de gerechtigheid van Christus .... of dat de genade, waardoor wij gerechtvaardigd worden, slechts een gunst van God is, die zij vervloekt". „Indien iemand beweert, dat het rechtvaardigmakend geloof niets anders is dan het vertrouwen op Gods barmhartigheid, die ons de zonden vergeeft om wille van Christus......, die zij vervloekt" (Conc. Trid. Sess. VI, can. 11 en 12).
Paulus zegt echter tot de gevangenbewaarder van Philippi: „Stel uw vertrouwen op de Here Jezus en gij zult behouden worden, gij en uw huis" (Hand. 16:31). Ook Paulus valt dus onder de vervloeking van het concilie van Trente, daar ook hij beweert, dat voor ons behoud slechts nodig is, dat wij ons vertrouwen stellen op Jezus Christus.
Opwerping:
Maar de r.k. kerk leert toch immers ook, dat slechts de werken, die uit de kracht van de genade worden gesteld, verdienende en uitboetende waarde hebben.
ONS ANTWOORD: Inderdaad, maar het woord „genade" heeft dan een andere betekenis dan de Bijbel en dan wij, reformatorische christenen, ermee bedoelen. De genade is hier bedoeld, niet uitsluitend als een gunst Gods, dus als iets buiten ons, maar als een bovennatuurlijke kracht, die bijgevoegd wordt bij onze door de erfzonde gewonde natuur en die natuur tot nieuwe mogelijkheden verheft, waardoor wij nu wèl in staat zijn zulke goede werken te verrichten, dat wij daardoor verdiensten krijgen bij God en daardoor de tijdelijke straffen voor onze zonden voor God kunnen uitboeten.
Een populaire vergelijking: zoals kousen die met nylon versterkt zijn, het veel langer kunnen uithouden, zo ook is de mens die in zijn natuur deze versterking van de genade ontving, tot dergelijke hemelverdienende en zondestraffenuit-boetende prestaties in staat.
Paulus echter zegt: „Maar toen de goedertierenheid en mensenliefde van onze Heiland en God verscheen, heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid, die wij zouden gedaan hebben, doch naar zijn ontferming ons gered " (Titus 3:4, 5).
B. In de laatste jaren is er echter een reaktie gekomen tegen deze beleving van de verdiensteleer, zoals die door de contrareformatie gestalte had gekregen in het r.k. godsdienstige leven.
Op populaire wijze werd dat enige tijd geleden duidelijk gemaakt in een artikel van het Brabants Dagblad. Daarin stond te lezen:
„Het woord „verdienen" wordt op twee geheel verschillende niveaus gebruikt, n.l. in de zakenrelatie en in de persoonsverhouding....
Wat bedoelt een jongeman als hij thuis komt 's avonds en hij kust zijn vrouw met de woorden: ,Dat heb je verdiend, vrouwtjelief, want wat ziet alles er leuk uit en wat heb je de tafel toch alleraardigst gedekt". Hij heeft het woord „verdienen" laten vallen. Bedoelt de jonge echtgenoot daarmee, dat zijn kus een innerlijke waarde bezit, die gelijk is aan de waarde van het tafel-dekken? Die twee weten wel beter".
Prof. Fiolet zegt het in zijn boek: „Onvermoed perspectief op de oecumene" (uitg. Paul Brand, Hilversum, 244 bl. f 9,90) aldus: ,De verdienste is geen nog-niet-geïnde cheque op een eeuwig loon, maar moet geheel beleefd worden in de persoonsverhouding tussen de verheerlijkte Heer en de gelovige mens.... De verdienste is daarom de verheffing van ons mens-zijn boven onze louter menselijke capaciteiten door de Zelf-mededeling van de verheerlijkte Heer, hier op aarde nog in de versluiering van het geloof, eens in de volle ontplooiing van Gods heilsplan met ons in de Eerstgeborene" p. 161.
Hoewel dit alles meer Bijbels en reformatorisch in onze oren klinkt, toch moeten we zeggen, dat ook in deze opvatting de leer van de verdienste ingaat tegen de kern van het Evangelie. Zie hierover ons artikel: „Protestantse misverstanden omtrent de r.k. leer over de goede werken".
II Krachtens een tegenovergestelde beleving en krachtens de barmhartigheid Gods kan een r.katholiek WEL behouden worden.
Er zijn r. katholieken, die zulk een diep besef van eigen onwaarde en zondigheid hebben en die zulk een innige band hebben met Jezus Christus en eigenlijk in hun hart alleen op de barmhartigheid Gods in Jezus Christus vertrouwen, ondanks de tegenovergestelde dogma's van hun kerk, dat zij geheel aan de Bijbelse voorwaarden voor het eeuwig behoud van de mens voldoen.
Opwerping 1:
Maar zien dergelijke r. katholieken, die aldus in hun hart uitsluitend op de verdiensten van Jezus Christus houwen, dan niet, dat ze DUS de leer van de goede werken, van de rechtvaardiging door het sakrament van de biecht enz. moeten opgeven?
ONS ANTWOORD: Ook wij, reformatorische christenen, zien niet altijd de konsekwenties van ons geloof en in elk geval beleven wij ons geloof vaak niet tot de uiterste konsekwenties. Als dat het geval was, dan zouden onze reformatorische kerken in Nederland heel wat meer werfkracht bezitten, dan zou de heerlijkheid van Jezus Christus veel meer uit ons leven uitstralen tot lof en eer van Gods genade.
Opwerping 2:
Maar is eigenlijk heel de nieuwere stroming in de r.k. kerk niet gericht tegen deze officiële uitspraken van Trente?
ONS ANTWOORD:
Inderdaad, in vele publikaties van de nieuwere r.k. theologen kunnen wij tot onze grote vreugde een beleving beluisteren die tegenovergesteld is aan de uitspraken van de dogma's van de r.k. kerk, en waarin erop gewezen wordt, dat het geloof ons persoonlijk met Jezus Christus moet verbinden. Maar de r.k. leer zelf is, ondanks die tegenovergestelde belevingen van r.k. theologen en leken, nog steeds op geen enkele manier gewijzigd. Dat kan ook niet vanwege de onfeilbaarheid, waarop de r.k. kerk aanspraak maakt, en ook niet vanwege uitspraken als: „Indien iemand beweert, dat het zou kunnen gebeuren dat aan de dogma's die de Kerk heeft geproklameerd, vanwege de vooruitgang van de wetenschap ooit een andere betekenis zou moeten worden toegekend dan de Kerk er onder verstaat en onder verstaan heeft, die zij vervloekt" (Con. Vat. I. Sess. 3, can. 3)
De „heiligen" in de r.k. kerk
Het is merkwaardig, dat juist de grote „heiligen" in de r.k. kerk een diep zondebesef hadden. Zij noemden zich vaak „de grootste zondaren van de wereld". Wij, als r.k. theologen, wisten niet goed raad met dergelijke uitspraken. Er rezen daarbij allerlei vragen bij ons op: Is dit geen schijnnederigheid? Deze heiligen wisten toch wel, dat zij geen doodzonden hadden gedaan. En daardoor stonden ze op een wezenlijk hogere trap van deugdbeoefening dan de massa. Was dat dan geen leugen, als zij zich toch de grootste zondaars noemden? Of was dat misschien alleen maar wat napraten van wat heiligen nu eenmaal behoren te zeggen?
Meestal gaf men als oplossing van deze vragen het volgende antwoord: Deze heiligen leefden zo dicht bij God, dat zij daardoor des te sterker hun eigen zondigheid bemerkten. Tegenover het licht van Gods heiligheid stak de duisternis van hun eigen zondigheid des te feller af. Bovendien ontvingen deze heiligen veel meer „genaden" dan andere mensen en daarom voelden zij zich des te onwaardiger, wanneer zij desondanks toch nog de zonden en onvolmaaktheden bij zichzelf moesten konstateren.
Deze oplossing was echter vanuit de r.k. theologie nooit bevredigend. Immers volgens de normen van de r.k. theologie stonden deze mensen op een wezenlijk hogere trap van waarde voor God vanwege het feit, dat zij geen doodzonden deden en vanwege hun vele verdienstelijke werken. Wij moesten dus de uitspraken van deze heiligen objektief als onwaar veroordelen, ook al konden wij dan deze onjuiste uitspraken begrijpen en vergeven vanuit hun innige gemeenschap met de allerheiligste God.
Zij waren in hun hart bijbelse christenen
Nu ik de Bijbel herontdekt heb, meen ik, dat het enige juiste antwoord op die vraag is, dat deze „heiligen" in hun hart Bijbelse en reformatorische christenen varen. Intuïtief voelden zij blijkbaar aan, dat het onderscheid tussen doodzonde en dagelijkse zende niet juist is. In wezen is elke zonde gelijk. Datgene wat de zonde tot zonde maakt, is het ingaan tegen Gods Wil. En ingaan tegen Gods heilige wil heeft reeds plaats bij de geringste overtreding van Zijn wet.
En van de andere kant hebben deze „heiligen" blijkbaar ook intuïtief aangevoeld, dat zij, ondanks de uitdrukkelijke uitspraken van hun kerk, nooit zouden kunnen bogen op een „waarlijk verdienen" van de hemel. Zij zagen dat hun goede werken, ook al kwamen ze dan voort uit de genade, toch zozeer met zondigheid bevlekt waren, dat ze er nooit waardig door werden om tot de eeuwige heerlijkheid bij God te worden toegelaten.
Theresia van Avila
Een mooi voorbeeld hiervan was de grote Theresia van Avila, een Spaanse mystica. Zij heeft veel kloosters gesticht, veel goede werken verricht en zelfs zo veel boetedoeningen gedaan, dat zij haar gezondheid er door benadeeld had. Maar als zij sterft, dan pleit zij op geen enkele wijze op al „het goede", dat ze gedaan had, maar enkel op Gods barmhartigheid. In haar laatste uren bidt ze bijna uitsluitend psalm 51 (r.k.: ps. 50): Miserere mei, Deus, secundum magnam misericordiam tuam — Ontferm U mijner, o Here, volgens uw grote barmhartigheid. En zo, uitsluitend pleitend op de God der ontferming in Jezus Christus, gaat zij de dood in.
KONKLUSIES:
1. Wij zijn geroepen om het Evangelie van Gods loutere barmhartigheid en van Jezus Christus als de enige, volkomen en persoonlijke Zaligmaker te verkondigen, niet alleen aan hen die van de r.k. kerk vervreemd zijn, maar evenzeer aan hen die onder de prediking van deze onbijbelse leer moeten leven.
2. Wij tekenen protest aan tegen de bewering van sommige protestanten, dat wij één geloof zouden hebben met de r.k. kerk. Deze bewering is o.a. geuit op 31 oktober in de Eusebiuskerk van Arnhem, waar een remonstrants en een gereformeerd predikant, beiden in ambtsgewaad, samen met de pastoor-deken van Arnhem de hervorming herdachten. Het geloof dat het eeuwig behoud uitsluitend verwacht van Gods gunst in Jezus Christus, is een ander dan het geloof, dat het eeuwig behoud verwacht op grond van goede werken, die door de mens verricht worden uit kracht van zijn door de genade versterkte natuur.
SLOT:
Wij dringen er bij onze r.k. lezers op aan om het voorafgaande ernstig te overwegen en te toetsen aan Gods Woord in de Bijbel. Wij hopen en bidden, dat velen van hen zullen komen tot het persoonlijke en uitsluitende vertrouwen in de barmhartigheid Gods, die Hij ons in Jezus Christus heeft bewezen, en dat zij als gevolg daarvan hun kerk zullen verlaten en zich zullen voegen bij een gemeente, waar enkel de roem van Gods genade verkondigd wordt.
En vanzelfsprekend geven wij, zoals altijd, gaarne plaatsruimte aan r.k. lezers, die ons zouden willen overtuigen, dat wij dit toch niet juist zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
