VAN PARADIJS
tot paradijs
Ik sta voor de muur
Het leven in Parijs had mij geleerd, dat ik met al mijn heiligheidsstreven, met al mijn inspanning om het goed te doen, met al mijn gehoorzaamheid voor een muur was komen te staan. Ik wist wat het betekende, wanneer Sartre van de mens" als van een nutteloze passie sprak.
In de maand october van hetzelfde jaar 1961 bezocht mij de generaalabt (hoogste ordesoverste) vanuit Rome. Volgens een nieuwe rechtelijke bepaling vanuit Rome, werd aan sommige kloosterpriesters de toelating verleend, om enige tijd als gewoon leek (burger) in de wereld te leven. Daarbij werden zij ontslagen van hun direkte kerkelijke verplichtingen. Na één tot anderhalf jaar tussentijd werd hun dan de gelegenheid gegeven, terug te keren of een volledige laïcisatie, d.w.z. een terugvoeren naar het lekendom aan te vragen.Mijn geval werd nu onder deze rechtsvorm ondergebracht. Er waren echter met de abt van Geras moeilijkheden geweest, waarbij ook de rechtelijke positie van de abt op drijfzand was komen te staan. De overste moet steeds, wanneer een onderdaan het klooster verlaat, zich in Rome verantwoorden. Wanneer nu fouten of misbruiken van macht of positie voorkomen, kan het gebeuren, dat deze overste dan in een moeilijke situatie komt te staan.
De generaalabt wilde nu onderzoeken, of van de geruchten rond de abt van Geras wel degelijk iets waar was. Ik heb hem een kort bericht daarover gegeven. In die maand october was ik juist in een zeer twijfelachtige toestand. Ik wilde graag naar het klooster terugkeren, hoezeer ik ook weer daarvoor angst had. Ik wilde het nog eens proberen, om misschien als priester in een andere omgeving, de roepstem, van God te volgen. Dat was één van die korte lichtflitsen, die door de duisternis van mijn leven in Parijs doorbraken, die echter steeds weer gepaard gingen met innerlijke onrust en angst voor God. Juist in dergelijke omstandigheden is het leven geen logische konklusie.
In de generaalabt heb ik toen de koude hand van een abstrakt kerksysteem gevoeld, de koude hand van de curie van Rome. Ik voelde seffens, dat de eigenlijke beslissing reeds gevallen was, maar dat het erom ging, enkele gegevens te verzamelen. Toen ik er gewag van maakte, dat ik er wel aan dacht, om toch maar weer terug te keren, ketste die gedachte op een koude, negatieve houding af. „U behoort niet meer tot onze orde", was het antwoord.
Het verwonderde mij dan ook niet, dat ik enige tijd later van de congregatie voor de kloosterlingen van Rome een document kreeg, waarin mij werd meegedeeld, dat ik in de lekenstand teruggevoerd werd, zonder hoop nog ooit te worden terug opgenomen, maar met de blijvende verplichting, de celibaatswet te onderhouden. Toen ik dan kort erop ook vernam, dat de abt van Geras „omwille van gezondheidsredenen" zich had teruggetrokken, wist ik maar al te zeer, dat hier het apparaat van Rome goed had gewerkt.
Juist in die dagen heeft mij de God van de straf en van de toorn weer ongerust gemaakt. Ik keek met ontgoocheling terug op mijn leven. Ik had mij geheel en gans in de vloed van dit „avontuur voor God" gegooid. Ik had gestreden en geleden. Ik had dag voor dag de middelen, die leiden naar de berg van de volmaaktheid gebruikt, ik had de ascese van de zelfbevrijding beoefend, ik had de plichten van iedere dag op mij genomen. Ik had het eerlijk gemeend. Ik had met werkelijke aandrang gebeden om kracht, om inzicht, om verlossing uit mezelf. Hoe dikwijls heb ik niet tot God gebeden: „Wanneer Gij zoudt zien, dat ik een slecht priester zou worden, houd mij dan van deze stap terug!"
Nu stond ik echter na al die jaren hier in Parijs en ik was op het einde van mijn krachten, zonder loon, zonder zegepsalm, zonder genade, zonder goddelijk leven in mij, van de troon van het priesterschap en de berg van de heiligheid teruggekeerd in het diepe dal van hen, die God niet kennen.
Dikwijls dacht ik er aan, dat men ons de weg van het verderf had geschilderd als een weg, waarop men eerst in kleine dingen ontrouw wordt, kleine dingen, die zich echter opstapelen, tot dan een totale katastrophe optreedt. De geschiedenis dus van de worm, die langzaam het hout opvreet, tot de kast in elkaar stort. Ik vroeg mij eerlijk af, of dit wel degelijk de fout was geweest. Ik zag, terugblikkende, veel tekortkomingen. Ik zag mij staan als een kleine mens tegenover de berg van het heiligheidsideaal. Maar dan zag ik weer hetgeen ik wèl had gedaan, de inspanningen, die ik wèl op mij had genomen, mijn bidden, mijn strijden, de vele sakramenten van de biecht, die ik telkens weer had ontvangen, en waarin ik toch de genade van Christus had ontvangen.
Een worm en geen mens! Dat was mij duidelijk geworden. Ik begreep ook op-eens, waarom ik in het klooster geen heiligen had gezien: omdat de mens een nutteloze passie is, omdat er niets goeds in hem is.
Zo keerde ik dan naar Sartre terug, om hem in al de brutaliteit van zijn opvattingen te be-amen. In die toestand heb ik dan ook in januari 1962 Parijs verlaten en ben naar Graz, naar het kleine stadje in het zuiden van Oostenrijk vertrokken, waar mij een betrekking was aangeboden in een kunstharslaboratorium. Ik had maar één doel: van het leven profiteren, er iets voor mij van te maken „Ik ben mezelf....!"
3 DE GLIMLACH VAN GOD
Het is voor iemand, die in het klooster is geweest, niet gemakkelijk, om zich zo zonder meer in het gewone burgerleven in te voegen. Hij maakt een proces door, waarin de strelende gedachte, dat hij een „plaatsvervanger van Christus" zou zijn, moet loslaten en zich vertrouwd moet maken met de werkelijkheid, dat hij maar een gewoon mens is. Dat vraagt veel deemoed. Wie uit het priesterleven uittreedt en denkt, dat hij als een wereldwonder tegenover de mensen zal staan, als een toeristische attraktie, die vergist zich zeer. Juisc het feit, dat de priester zozeer op de troon van het goddelijke wordt geheven, brengt met zidh deze moeilijkheid, om zich over te schakelen naar het gewone leven. Lange tijd nog kan men in hem de „pastoor" zien. Zo diep gaat dit zelfs dat sommigen zonder meer kunnen aantonen, uit welke orde een uitgetreden priester stamt.
De ontmoeting met de ander
Kort na mijn terugkeer in Oostenrijk ben ik getrouwd. Dit huwelijk was niet op basis van liefde. Sartre zat nog te zeer in mijn overtuigingen. Liefde bestond er niet. "Wanneer man en vrouw elkaar ontmoeten, dan wil de één zich meester maken van de vrijheid van de ander. Dit is echter onmogelijk. Zo blijft er alleen de haat. De andere wordt dan een gebruiksvoorwerp.
Ik maakte echter door dit huwelijk een bewust einde aan de eenzaamheid van mijn leven: de eenzaamheid van een naakte cel, waar God niet meer tot mij sprak, de eenzaamheid van een mens, die dacht, dat hij God niet meer nodig had. Het werd een werkelijke ontmoeting met het Jij. Ik trouwde met een ongelovig meisje van Wenen op een basis, die een zuiver menselijke was. Maar de ontmoeting met haar was een eerste, diepere bevrijding. Ik vond konkreet in haar datgene, wat ik jarenlang in de gemystificeerde vereniging met God had gezocht. Ik kon ook weer geloven aan God.
God laat iemand soms gedurende enige tijd alleen rondspartelen. Hij laat hem aan de wisselvallige draad van zijn eigen menselijke zwakheid rondzwemmen en geeft hem dan nog een laatste kans. God heeft de tijd. God laat zich niet door kleine mensjes terugschrikken.
Toen mijn vrouw zwanger werd, kon ik weer aan God geloven. Juist op dit ogenblik, waarop ik die scheppende hand van God in het lichaam van mijn vrouw kon voelen en betasten, wist ik: God bestaat. Dit was levende werkelijkheid.
Niet dat dit een strikt bewijs zou zijn voor het bestaan van God. De Here ontvouwde echter in deze gebeurtenis zijn souvereine macht. Het werd voor mij een persoonlijk teken van Zijn bestaan, dat Hij aan mij openbaarde, en dat onder de werking van Gods ontfermende bemoeienis tot licht werd voor mijn ziel. Met God kwam ook de liefde en het leven voor elkaar terug. Vanuit de celibataire ziekte van het kloosterleven had ik de vrouw gevonden en God had Zijn scheppende naam gegrift in de levenwekkende kracht van de liefde. Hij bestond!
Bevrijdend Woord
In het eerste ogenblik, toen God voor mij stond, had ik angst voor Hem. Het feit, dat Hij uit de nevel van deze door mij geschapen nacht mij aanblikte, maakte mij onrustig.
In die dagen heb ik de Bijbel weer ter hand genomen......
KAN EEN ROOMSKATHOLIEK BEHOUDEN WOKDEN?
Een zeer ernstige en indringende vraag. Wij hebben in dit mimmer onze zienswijze weergegeven. Maar wij zouden graag het oordeel van de lezers hierover horen, vooral ook van r.k. lezers. Wij vragen u echter dringend om „kort maar krachtig" te zijn in uw brieven. Geen nodeloze uitweidingen. Wij behouden ons vanzelfsprekend het recht voor om slechts die inzendingen te plaatsen die het meeste bijdragen tot een vruchtbare gedachtenwisseling over dit onderwerp.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van maandag 1 juni 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
