VAN PARADIJS tot paradijs
(vervolg)
Ook de kuisheid moet men in die zin zien. God zei: „Gij zijt mijn", en dat betekende ,dat wij ons alleen maar in liefde aan Hem mochten geven en niet aan een vrouw. Het feit, dat volgens roomse leer, de staat van ongehuwde hoger is, dan die van het huwelijk, vindt hierin een aanknopingspunt. Ik herinner mij nog heel goed, dat in de prelatuur van Tongerlo (abtswoning) een schilderij hing, een copie van Van Dijck, waarop de zalige Herman-Josef, een heilige van onze orde, het mystiek huwelijk met Maria aanging.
In onze ascetische lessen kregen wij het dikwijls te horen, dat wij ons in ons vlees moesten kruisigen, dat wij boven de sexuele krachten moesten staan, dat wij die krachten moesten leren kanaliseren en richten op een hoger niveau: richten op een volledige meditatieve verbinding met God en een mystieke liefde tot Maria.
De macht van de biecht
Het is vanzelfsprekend, dat deze weg niet rechtlijnig kon verlopen. Deze menselijke krachtpatserij ging met veel vallen en tekortkomingen gepaard. Vandaar dat de biecht in ons kloosterleven een grote plaats ging innemen. Daar, in de biecht, moest men zijn innerlijke zwakheid en tekortkomingen minstens één keer in de week aan het oordeel van een priester onderwerpen. Men moest in de vergeving van de zonden in de biecht kracht halen, om na iedere val weer op te staan. De sakramentele kracht van de biecht moest ons helpen, steeds weer hoger op te klimmen naar de toppen van de volmaaktheid.
Ons leven was echter een leven in gemeenschap. Zo bestond er ook een gemeenschappelijk kontrolemiddel, om zich iedere dag weer te toetsen aan het voorbeeld van de volmaaktheid, om zich iedere dag weer in zijn tekortkomingen te verootmoedigen. Dit kontrolemiddel was het dagelijks schuldkapittel. Iedere dag kwamen wij samen in een grote zaal. Achteraan in de zaal stond de troon van de abt en rondom waren banken. Wij moesten voor de overste neerknielen en daar openlijk de fouten belijden, die wij de vorige dag tegen de regel, de constituties en de voorschriften van de overste, hadden begaan: te laat opstaan, buiten de maaltijden iets eten, in de kamer van een medebroeder gaan, het stilzwijgen verbreken, buiten het klooster gaan zonder toelating, te laat terugkeren, enz., dit alles waren fouten, waarvan de ene zwaarder, de ander lichter werd beoordeeld. N a de openlijke beschuldiging, wierpen, wij ons uitgestrekt ter aarde neder en werden dan door de abt of een andere overste gestraft.
Deze zelfbeschuldiging heb ik steeds zeer ernstig genomen. Ik was ervan overtuigd, dat ik tegenover God verplicht was, alles openlijk te belijden, hoe moeilijk het ook was. Het verzwijgen, ook van de minste tekortkoming, ging bij mij gepaard met gewetensconflikten. Ik kon slechts bevredigd uit de kapittelzaal weggaan, wanneer ik werkelijk alles had gezegd.
Deze radikale houding verklaarden vele van mijn medebroeders voor een fanatieke dwaasheid. Zij schaamden er zich ook niet voor, openlijk voor deze laksheid uit te komen. Voor hen was de roeping naar heiligheid maar een raad en dus géén verplichting. Zij voelden zich dan ook vrij in hun streven naar heiligheid te blijven staan, waar zij het goed vonden. Het loon zou dan wel niet zo groot zijn, maar dat was dan hún zaak.
Voor mij was het schuldkapittel een toetssteen voor mijn houding tot God, die mij had gezegd: „Gij zijt mijn". In dezelfde zin zag ik ook mijn roeping om de voorschriften van het vasten, van de versterving, van de zelfdiscipline strikt na te volgen. Ook hier bestond er in het klooster de mogelijkheid van een minimaal- of een maximaalhouding. God vroeg echter offer.. en offer was per se maximaal!
In die dagen heb ik in mijn dagboek neergeschreven: „vasten en versterving betekenen een medeverlossing van de wereld met en door Christus. Christus heeft zijn werk in de handen van mensen nagelaten, opdat het zou worden voleindigd, en ieder, die zichzelf aan het kruis slaat, draagt bij tot de verlossing van de wereld." Iedere stap, iedere handeling, iedere gedachte, ieder gebed, al het lijden, kreeg voor ons dan ook deze verlossende betekenis. Dit is één van de fascinerende dingen in het klooster, waardoor men, ook graag de lasten en het lijden en de moeilijkheden op zich neemt, ook wanneer zij schijnbaar een dwaasheid en een zelfverminking betekenen: zij zijn voor de wereld waardevol, omdat zij in vereniging met het kruisoffer van Christus in de mis aan de Vader worden aangeboden, omdat zij zo de geestelijke schatkist van de roomse kerk met verdiende genaden vullen, zodat die kerk dan ook rijkelijk aan alle mensen daarvan kan uitdelen.
Naar Oostenrijk
De aktie Oostpriesterhulp, een aktie, uitgaande van pater Werenfried van Straaten, had mij in de beslissende keuze van het kloosterleven sterk beïnvloed. Kort vooraleer ik in Tongerlo binnentrad, had ik met de stichter en stimulator van de Oostpriesterhulp kontakt opgenomen. Daar ik het verlangen had, later in het kader van deze aktie te gaan werken, was het dan ook vanzelfsprekend, dat ik in Tongerlo binnentrad, gezien die pater eveneens tot die orde behoorde. Groot was dan ook de vreugde, toen de abt van Tongerlo mij op zekere dag bij zich riep en mij meedeelde, dat ik naar Oostenrijk zou worden gestuurd, om daar binnen het kader van de Oostpriesterhulp mee te helpen aan de opbouw van een „vesting voor God", aan een klooster langs het IJzeren Gordijn, in voorbereiding op de dag „X “, de dag, waarop het IJzeren Gordijn zou opengaan en men naar het oosten zou kunnen doordringen. Dit klooster lag op ongeveer 5 km. van de grens van Tsjechoslowakije in het stadje Geras. In 1957 werd ik samen met een andere medebroeder naar dit klooster gestuurd. Het werd de ontmoeting met een heel nieuwe wereld.
Het rooms-katholieke leven van Oostenrijk en juist het monnikenleven in dit land draagt een heel ander karakter dan in België. In tegenstelling met de strenge houding van de westelijke kloosters, die nog steeds de trekken van het middeleeuws kloosterleven dragen, is door het oosten de adem van de baroktijd en het josefinisme heengegaan. Het aangezicht van deze kloosters is niet alleen uiterlijk verschillend. Niet alleen de barokengeltjes en de peervormige torens van de Oostenrijkse kerkjes staan in tegenstelling met de gothieke of neogothieke gewelven van het westen. Juist in hun volks- en kloostervroomheid verschillen zij zo zeer.
Nieuwe wereld, nieuwe oversten, een nieuwe spiritualiteit: dit alles liet mij meer en meer de betrekkelijkheid van de mening van kerkelijke oversten duidelijk worden. Wat voor de ene abt heilig was, kon bij de andere ten hoogste een glimlach om de lippen teweegbrengen.
Zenuwdodende wrijvingen
In die dagen werd ik voortdurend geconfronteerd met de menselijke kleinzieligheid, die in deze oorden van volmaaktheid kan regeren. De tegenstelling tussen de grote verantwoordelijkheid van die oversten, die zich goddelijk recht toekenden, en hun kleinmenselijkheid was groot. Ik hield mij wel steeds voor ogen, dat de kerk zondig is en dat dus de fouten niet kunnen uitblijven. Maar terzelfdertijd ging het toch om mensen, die ex professo, vanuit hun beroep, steeds naar de heiligheid hadden gestreefd. Zij waren voor ons steeds weer de stem van Christus hier op aarde. Zij eisten van ons op grond van de statuten en voorschriften een absolute gehoorzaamheid. “Weliswaar niet de blinde gehoorzaamheid, die nog in de vorige eeuw zeer dikwijls werd gepreekt, maar toch een gehoorzaamheid, die op de duur de eigen mening prijs geeft ten gunste van die van de overste. Het ging er ook voortdurend om, dat wij op onze weg naar de volmaaktheid naar die overste moesten luisteren. Moeilijk werd dit echter, wanneer men jaloersheid, menselijke heerszucht, hebzucht en soms ook sexuele afwijkingen de motieven van anderen zag beheersen. Zo gemakkelijk ontstonden twisten naar aanleiding van theologische opvattingen, waarbij echter de eigenlijke drijfveer achteraf steeds weer een vlak egoïsme bleek te zijn.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 februari 1964
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
