Waarom ongedoopt kind in Ongewijde aarde?
Onze correspondent in de Ned. Antillen, dhr C.A. Vis, schrijft ons:
In het San Pedro Hospitaal in Oranjestad, werd een kindje doodgeboren.
De vader is protestant, zoon van een anglikaans geestelijke, de moeder rooms-katholiek.
De vader verkeerde in de veronderstelling, dat het kind behoorlijk op het r.k. kerkhof begraven was.
Groot was echter zijn verontwaardiging, toen hij door navraag tot de ontdekking kwam, dat zijn kind zo maar ergens in de grond was gestopt. Des te pijnlijker was het voor hem, omdat de zusters voor deze begraving een plaats hadden uitgekozen waar men allerlei rommel neerwerpt, zoals lege bierflessen en oude blikken..
Nu is mijn vraag: Gaat zulk een handelwijze niet lijnrecht in tegen het christendom? Wordt op deze wijze een mensenkind niet gelijk geschakeld met een dier, dat men ook zo maar ergens in de grond stopt?
ONS ANTWOORD:
Deze handelwijze is een gevolg van de r.k. beschouwing van de Doop, die uit zichzelf de wedergeboorte bewerkt tot kind Gods. Omdat dit kind blijkbaar niet gedoopt was, hoorde het niet thuis in de gewijde aarde van een r.k. kerkhof. Het heeft echter beslist niet in de bedoeling van de zusters gelegen om een zekere verachting jegens het ongedoopte kind tot uitdrukking te brengen door het nu juist op zulk een stortplaats te begraven. Ze hebben daar zeker niet bij stil gestaan. Op de meeste r.k. kerkhoven heeft men een aparte hoek van ongewijde aarde, waar deze kinderen begraven worden.
Deze handelwijze is echter inderdaad geheel in strijd met de Bijbel, waar wij lezen dat de kinderen heilig zijn door de gelovige ouders. (1 Kor. 7:14). Met welk recht begraaft Rome dan kinderen, die door God zelf heilig zijn verklaard, in „ongewijde" aarde? Ook hierin verheft het r.k. stelsel zich boven Gods Woord, door pas dan de heiligverklaring van de kinderen van gelovige ouders, zoals dat door God zelf gebeurt, te aanvaarden, als die heiligverklaring van God geijkt is door het r.k. kerkelijk sacrament van het Doopsel.
MET EEN VRIENDELIJK GEZICHT EN EEN VALS HART
Heel dikwijls werd mij de vraag gesteld of in de r.k. katechismus de volgende vraag voorkomt: „Hoe moet men optreden tegenover de ketters?" Antwoord: „met een vriendelijk gezicht en een vals hart".
Natuurlijk heb ik steeds geantwoord, dat dit beslist niet in de r.k. katechismus voorkwam.
Toch heb ik mij verwonderd over de hardnekkigheid, waarmee deze vraag altijd weer terugkeerde.
Ik meen thans daarvoor de verklaring te hebben gevonden.
Br. de Savignac maakte mij n.l. opmerkzaam op een artikel over „Inquisition" door E. Vacandard in: Dictionaire catholique, par A. Vacaret, E. Manguol et E. Amanu, tome VII, Paris, 1923.
Daarin wordt geciteerd uit „Le tribunal d'Inquisition de Pamiers", door Vidal, p. 151-152:
Officiële exploratores (spionnen) van le inkwisitie
„Verschillende ambtenaren, onder de rang van notaris, zijn verbonden aan het gerechtshof van de inkwisitie, hetzij tijdelijk, hetzij blijvend. Waarschijnlijk werden zij allen door eenzelfde term aangeduid, n.l. van „jurati", d.i. beëdigden. De „servientes" (gendarmes) de „nuntii", (koeriers), de „exploratores" (spionnen) en de „carcerarii" (cipiers) zijn zulke „jurati", want zij hebben allen de algemene eed afgelegd".
„Om de ketters op te sporen, die naar de vreemde gevlucht waren, gebruikten de inkwisiteurs graag spionnen. Men zou heel wat van deze ondergeschikte ambtenaren kunnen opnoemen. Een model van dit soort is de speurhond, Arnaud Sicret, (van de stad, Dax), die in dienst was bij het gerechtshof van Pamiers en die de helft van Spanje naspeurt in de hoop er gevluchte katharen te vinden.
Wanneer hij een goed spoor heeft gevonden, keert hij terug naar Pamiers, laat zich een geregeld mandaat geven door Jeacques Fournier, krijgt geld en wat ernstiger is, het verlof om zich voor te doen als een gelovig lid van de ketterse beweging en om hun samenkomsten te bezoeken. Hij maakt zich meester van de kathaar, Guillem Bélibarte en van bijna heel zijn bende. Als zijn werk is beëindigd, ontvangt hij de warme gelukwensen van de drie inkwisiteurs, Bernard Gui, Jean de Beaune en Jacues Fournier."
Toen ik dat gelezen had, stelde ik mij de vraag: ls die vraag over het valse hart misschien terug te brengen tot de herinnering aan dergelijke spionnen, die zich aldus trachtten in te dringen in de samenkomsten van de gelovigen? Is dit een uiting van het „collectieve onderbewustzijn" van de reformatie?
Maar, al is zulk een vraag dan te verstaan vanuit een collectief herinncringsonderbewustzijn van de reformate, dat neemt toch niet weeg, dat het a-historisch is om dergelijke vragen op onze tijd te betrekken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 november 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
