Ik heb in het Licht geloofd
De biecht
Het is niet mijn bedoeling om een uitgebreide apologie te schrijven. In wil alleen maar op eenvoudige wijze mijn gedachten weergeven zoals die zich ontwikkeld hebben gedurende de laatste twee jaar voor mijn uittreden.
Toen ik de tekst, waarin Christus het sakrament van de biecht zou hebben ingesteld, nader onderzocht, bemerkte ik, dat die tekst alleen in het Evangelie van Johannes voorkomt . In verhalende trant beschrijft Johannes de eerste verschijning van de opgestane Heiland aan zijn discipelen en zegt dan dat Jezus bij die gelegenheid tot zijn discipelen zeide: „Wien gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien zijn ze toegerekend" (Joh. 20:23).
Het is nog van belang op te merken, dat vol gens Marcus en Lukas bij die gelegenhei ddaar niet alleen de apostelen, maar ook nog andere discipelen aanwezig waren. Lukas vertelt n.l., dat de twee Emmausgangers, waarvan er één Kleophas heette en dus heel zeker geen apostel was, „de elven en die bij hen waren, vergaderd vonden, en deze zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Simon verschenen. En zij verhaalden wat onder weg gebeurd was en hoe Hij door hen her kend was bij het breken van het brood. En terwijl zij hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; en zij werden ontzet en verschrikt en meendeneen geest te aanschouwen" (Luk. 24: 33-37).
Het is dus duidelijk, dat er meer discipelen aanwezig waren en niet slechts de elf apostelen. Bovendien zijn er ook r.k. exegeten, die erkennen dat het hier gaat over dezelfde verschijning die ook in Joh. 20: 19-23 wordt vermeld. Bijv. Nácar-Colunga B.A.C. bij hun verwijzing naar parallele plaatsen.
Maar dan zou men ook moet en aannemen, dat Christus op dat moment ook aan andere christenen en niet alleen aan de apostelen de macht zou hebben verleend om zonden te vergeven. En dat klopt weer niet met heel de r.k. theorie over de absolutiemacht, die slechts vanuit de apostelen en hun opvolgers, de bisschoppen, aan de anderen en dan nog alleen aan de priesters wordt medegedeeld.
Boete als innerlijke ommekeer
Ik zag ook dat de Bijbel met nadruk spreekt over de „paenitentia". Maar dan niet als een verrichten van uiterlijke boetewerken, maar als eeninnerlijke ommekeer, een metanoia. Deze bekering houdt twee elementen in: de erkenning van de zonden in het verleden en de algehele overgave aan de barmhartige God in de toekomst.
Deze boetedoening is iets heel persoonlijks. Ze moet tot stand komen in volstrekte oprechtheid des harten. Ze moet zich voltrekken tussen elk mens afzonderlijk en God zelf, „di e de harten doorgrondt". Op deze manier is het niet mogelijk om onszelf te bedriegen met een oppervlakkige gerustheid vanwege het vertrouwen op wat uiterlijke tekenen, ook al is ons hart niet waarachtig bekeerd tot de Here.
God vraagt onze innerlijke boetedoening, onze bekering. Hij vraagt dat alleen. En het is aan Hemzelf, dat wij onze zonden moeten belijden. En Hij is „rijk in goedertierenheid door de liefde waarmee Hij ons liefheeft" in Jezus Christus en door Jezus Christus „reinigt Hij ons van alle ongerechtigheid" (1 Joh. 1). „Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid verheelde ik niet; ik zeide: Ik zal de Here mijn overtredingen belijden, en Gij vergaaf t de schuld mijner zonde" (Ps. 32: 5).
God nodigt ons in zijn Woord steeds uit om ten volle op Hem te vertrouwen. Hij vergeeft steeds de verbrokene van hart. Hij is de Vader, die de verloren zoon opwacht om hem te kussen en te omhelzen bij zijn terugkeer. Hij is de goede Herder die feest viert als hij het verloren schaap weer gevonden heeft. Hij is de Vader, die ons zijn Zoon gegeven heeft, opdat, „ waar evenwel de zonde toenam, de genade meer dan overvloedig is geworden" ( Rom. 5: 20).
Nergens in de Bijbel vinden wij dan ook, dat de apostelen de macht om zonden te vergeven zouden hebben uitgeoefend. Als Petrus aan Simon, de tovenaar, zijn zonden voorhoudt, die hij na zijn doop bedreven heeft, dan verwijst hij Simon niet naar de biecht, dan geeft hij hem niet de raad om de absolutie aan Petrus zelf of aan een priester te vragen, maar hij zegt: „Bekeer u van deze boosheid en bid de Here, of deze toeleg van uw hart u moge vergeven worden" (Hand. 8: 22).
Het is waar, dat wij in de eerste eeuwen van het christendom een vorm van publieke boetedoening tegenkomen, maar dat is heel iets anders dan de oorbiecht die nu in de r.k. kerk geleerd wordt als noodzakelijk middel voor de vergeving van de zonde die na de Doop bedreven zijn.
En toen ik al deze dingen overdacht, werd ik ertoe gedreven om te zoeken naar oprechtheid van leven, naar waarachtige ootmoed des harten, naar de zekerheid en de vrede van mijn ziel. Ik zag in, dat alleen God onze toevlucht en ons behoud is. Alleen als wij rusten in zijn oneindige barmhartigheid, zullen wij volle zekerheid ontvangen van ons heil. Onze houding moet steeds die zijn van de tollenaar: „Erbarm U over mij, o Here, want ik ben een zondig mens". En „deze ging gerechtvaardigd naar huis", zei de Here.
Vagevuur
Bij die studie van de Bijbel bemerkte ik ook, dat in geen enkele van de apostolische brieven gesproken wordt over het vagevuur.
Ik had die leer tot dan toe enkel aangenomen, omdat mijn kerk die mij voorhield. Maar nu zag ik, dat deze leer indruist tegen heel de prediking van het Ni euwe Testament over de „vol komen" verlossing van Jezus Christus. En bij de studie van de kerkgeschiedenis ont dekte ik, dat er een nauwe band bestond tussen de leer van het vagevuur en al die vormen van handel in aflaten en in zielemissen, die in de loop van de tijden tot ontplooiing waren gekomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 oktober 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
