Christelijk Boeddhisme
(Het rooms katholieke kloosterleven beweert te zijn een anticipatie van het volmaakte Godsrijk hier op aarde, een volmaakte navolging van Christus, in de eenzaamheid van de monnikencel. Dit reservaat der heiliging heeft merkwaardige paralleleigenschappen met het boeddhistische monnikendom).
Een vruchtbare eenzaamheid
In het boek „De navolging van Christus" van Thomas à Kempis wordt de eenzaamheid van de privaatpersoon als noodzakelijke voorwaarde voor de weg naar de volmaaktheid gepropageerd.
Deze eenzaamheid is niet gericht op de naaste, maar eerder een vlucht voor elke ontmoeting met een mens. Hoewel ook veel over de liefde tot de naaste wordt gesproken, staan deze opvattingen in dit boek beschreven toch lijnrecht tegenover het ware evangelie. „Het is beter verborgen te blijven en zich aan zichzelve te wijden dan wondere dingen te doen en niet voor zichzelve te zorgen. In een kloosterling is het te prijzen, wanneer hij zich zelden naar buiten begeeft, wanneer hij vermijdt te worden gezien en ook anderen met wenst te zien.' (I,20,6) „De grootste heiligen vermeden, waar zij het konden, de omgang met mensen. Liever verkozen zij God te dienen in eenzaamheid." (I,20,1). En dan deze meermaals geciteerde zin: „ Een zeker iemand heeft eens gezegd: Zo dikwijls ik onder de mensen geweest ben, kom ik terug als een minder mens." (I,20,2)
Deze „zeker iemand" is niemand minder dan de heidense leraar Seneca, die uit een soort verachting tegenover de plebs (het gewone volk) deze zin heeft uitgesproken. In het na de bijbel meest gelezen boek der christenheid vinden wij zinnen uit heidense leraars, die niet zomaar een randillustratie zijn, veel meer echter de grondhouding van hen moeten illustreren, die het Godsrijk hier op aarde, het hemels Jeruzalem willen verwerkelijken. Zo schrijft het boek over de spiritualiteit der praemonstratenzers (norbertijnen): „Wanneer reeds een heidens leraar dit zegt, hoeveel te meer moet dan een priester zeggen: Zo dikwijls ik tot de mensen gekomen ben, des te minder priester ben ik teruggekeerd." M.a.w. een „alter Christus", (een andere Christus), een priester, wiens eerste funktie is, mensen tot Christus te brengen, wordt minder „andere Christus", naarmate hij met de mensen in kontakt treedt.
De belofte van kuisheid
Helemaal in deze lijn ligt ook de belofte van het celibaat. Juist op dit gebied wordt meer en meer kritiek hoorbaar. Wanneer het sprookje van de „platonische liefde" gepropageerd wordt in christelijke termen, dan moet daarop reaktie komen. Zo zegt René Carpentier: „Deze van de heilige Drievuldigheid uitgaande liefde is zo verheven, dat men niet meer aan aardse liefde kan denken, wanneemen haar eenmaal door de genade ontvangen heeft." Zo zegt hij verder, dat alleen de geestelijke liefde meer heerst. Tot deze levensstand met haar volmaaktheid behoort het ook, dat hij niet meer bijdraagt tot de voortplanting van het menselijk geslacht. Wanneer iemand zich volledig aan Christus wijdt, dan brengt zijn voorgeslacht, de ganse generatie dus, in deze tak zijn vrucht voor de eeuwigheid, n.l. de liefde tot God. Het laatste verlangen van alle voorvaderen wordt dus in deze mens verwerkelijkt. Wat een pretentie op grond van de krachtinspanning van één mens
Wij horen als vanzelf Boeddha tot zijn leerlingen zeggen: „Acht U voor de vrouw. Na één verstandige komen duizend domme of slechte" en deze andere uitspraak van een boeddhistische monnik: „De omgang met de vrouw kan de man alleen maar schaden. Wie een vrouw verlangt, vindt geen vrede." Juist in het boeddhisme wordt de theorie gepropageerd, dat iedere betrekking tot een vrouw een diepere binding betekent die onverbindbaar is met de opgave van een monnik, die naar de volmaaktheid streeft. Meer nog, er wordt beweerd, dat ook de physieke energie de meditatie moet dienen. Een zuivere sublimatie dus. Deze sublmatietheorie vinden wij ook in de kloosters terug hier in het Westen. Carpentier zegt: „De kuisheid betekent, dat wij ons leven zo in de hand hebben, dat AL onze liefdekapaciteiten zich op God en een geestelijk zich aan de mensen schenken gericht zijn!" Meer nog, het gaat volgens Pius XII in zijn encykliek Sacra Virginitas om een leven „aan de engelen gelijk"!
De reinheid van hart betekent in wezen het celibaat. „Door de kuisheid genieten de kloosterlingen deze zaligheid, die aan de mensen met een rein hart werd beloofd." (Carpentier).
Achter de muren
Hoever staat deze theorie van de werkelijkheid! Wie eenmaal achter de muren van het klooster heeft gekeken, wie zelf deze „gemeenschappen" heeft leren kennen, die weet maar al te goed, dat deze „vergeestelijkte liefde", deze „anticipatie van het hemels Jeruzalem", dit „gelijk zijn aan de engelen" een vroom voorwendsel is, op grond van een mysticistische redenering, die ook van een boeddhist had kunnen stammen. Ik weet wel: Mt. 19 en 1 Kor. 7 zijn een schild voor de kloosters, waarmee de aanvallen van „het onbegrip der wereld" worden afgeweerd. Ik wil hier op deze bijbelteksten in verband met het celibaat niet verder ingaan. Ds. Hegger heeft dat in vorige nummers van De Rechte Straat voldoende gedaan. Ik kan alleen maar beweren, dat tussen de menselijke verhoudingen binnen en buiten de kloosters niet zoveel verschil is. Meer nog, dat dikwijls meer haat en tweedracht in deze „hemelse Jeruzalems" heerst dan in de wereldse gemeenschappen.
Zeker, ook bij hen gaat het om het „streven" naar de volmaaktheid.
Ook zij moeten het nog bereiken. Ook de kloosterling moet iedere dag opnieuw in de strijd gaan. Nooit heeft hij het helemaal. Men zal mij wijzen op de zondigheid van de kerk, op de onvolmaaktheid van de gemeenschappen. Maar waar staan wij dan met de pretentie van de „anticipatie van het Godsrijk"? Waarom voor de wereld vluchten, wanneer men deze zondige wereld met zich, in het diepste van zijn verstand en wil, in het klooster meedraagt? Waarom trachten naar de volmaaktheid, wanneer ook in de „wereld" deze volmaaktheid existeert?
En dan nog iets: of Paulus met het woord „de dwaasheid van het kruis", het kloosterleven meende? Laat dan dit schild bij uw apologetiek vallen!
Zeker, met deze vragen is niet alles gezegd. Alleen, de afzondering tegenover de wereld is een heidens gedoe, een rekenen op eigen kracht en niet op de genade van Christus. Daarover komen wij nog te spreken.
De kunst der versterving
Wanneer een novice in een boeddhistisch klooster treedt, dan moet hij zijn haren laten afknippen, wordt hij met gewijd water besprenkeld, bekomt het monnikengewaad en de voorgeschreven negen voorwerpen, die hij mag gebruiken. Deze voorwerpen raakt hij met een stok aan, om aan te duiden dat hij in de toekomst niets meer van hand tot hand zal aannemen. Dan moet hij de „108 open deuren van het Dharma" (een soort litanie) aanhoren, die een oude monnik hem voorleest. De hoofdtaak van een monnik is, naast studie en meditatie, het gezamenlijk reciteren van een bepaald aantal teksten. Tegenover de overste heeft de monnik een volmaakte gehoorzaamheid, aangezien deze zijn eigen persoonlijkheid wil uitschakelen. Hij moet leven van aalmoezen en mag niet eens bedanken voor de gift. Dit is de school der deemoed. Dat hij bedelt en niet zelf verdient, heeft deze betekenis, dat hij zich geheel en gans zijn geloof en zijn zuiveringspogingen moet kunnen wijden.
Bij Carpentier lees ik: „Wat de kloosterling betreft, de aanhankelijkheid aan aardse goederen zou hem hinderen bij het gebed en bij de vereniging met God. Hij beschouwt zich als arme, die van aalmoezen leeft en alles dankbaar aanneemt, en wel uit liefde tot Christus, om zijn wensen af te sterven en uit geringschatting van de aardse goederen." Meer nog: „onze volledige intrede in het geheim van het kindschap van God, hangt af van het afstand doen van alle uiterlijke steun en aanhankelijkheid". Deze houding noemt Carpentier een „bovennatuurlijke openbaring". Het gaat er steeds om, door eigen oefeningen, eigen inspanning, eigen, persoonlijk streven, wat zondig is, uit de weg te ruimen.
Inderdaad, het is een pijnlijke zaak, wanneer men als 30 of 40 jarige mens een paar schoenen nodig heeft en men moet naar de prior gaan, hem geld vragen en de rest van het geld teruggeven. Of men zou graag een cadeautje aan een kennis schenken en men kan niet, omdat men geen rooie duit bezit. Men krijgt iedere dag het eten voorgeschoteld, wat de ekonoom heeft uitgezocht. Wie probeert daarin telkens de wil van God te zien, de opkomende, normale zelfstandigheidsgevoelens te onderdrukken, die moet een heldhaftig leven voeren. Daarom is het ook, dat men in een klooster zoveel egoïsten vindt, die erop uit zijn, ieder voordeeltje uit te buiten. Mensen, die in het klooster niet mogen roken en dan, wanneer ze eenmaal buiten zijn, zoveel paffen, dat de vliegen bedwelmd van het plafond vallen. Natuurlijk, zal men zeggen, dat zijn mensen, die aan hun roeping niet beantwoorden, die egoïstisch zijn of misschien zelfs geen roeping hebben. Hoezeer heeft men ons gewaarschuwd voor de zogenaamde „celibataire ziekte", dit op zichzelf gericht zijn, dit erop uit zijn te profiteren. Soms wordt wel eens spottend over de één of ander gesproken, die overal het meest er wil uithalen, erop uit is, zijn kansjes te zien en uit te buiten. Men zei ons steeds: dat zijn mensen, die eenmaal alles hebben gegeven en dan stuk voor stuk het hebben teruggenomen. Treurig echter, zeer treurig is het, omdat hier mensen gebonden zijn door wetten, die nooit naar het ware, hemelse Jeruzalem kunnen leiden.
Gehoorzaamheid aan de wet
De moeilijkste gelofte in een klooster is deze der gehoorzaamheid. Misschien kan tijdelijk het zwaartst de gelofte van kuisheid wegen. Op de duur echter is deze volledige overgave van zichzelf aan de wil van de overste het moeilijkste. Ook deze gelofte, ja vooral deze, is gefundeerd op de overtuiging, dat Christus en Zijn kerk één en dezelfde zijn en zo de overste de plaatsvervanger is van Christus hier op aarde, door wiens mond Hij zijn wil aan ieder persoonlijk te kennen geeft. Om deze geest van gehoorzaamheid wordt daarom ook zeer veel gebeden. De H. Geest spreekt niet direkt tot ieder kloosterling, maar wel via de kerk, resp. de overste. Ignatius van Loyola, de grote kunstenaar van de gehoorzaamheid en stichter van de jezuietenorde heeft gezegd, dat de onderdaan als een lijk in de handen van zijn overste moet zijn. Klinkt ook dat niet naar de boeddhistische houding zichzelf uit te wissen, zijn eigen persoon totaal te ontledigen voor de wil van een ander? En dat op grond van het bevel van de Heer, die de Herder is? Een diktatoriale pretentie van een instituut dat zich aanmatigt Christus op deze wereld te zijn?
Deze gehoorzaamheid gaat heel ver. Het gaat er niet alleen om, bepaalde bevelen uit te voeren. Misschien zou dat nog wel gemakkelijker zijn. Ik moet echter als kloosterling blind kunnen gehoorzamen. Ik moet kunnen zeggen: alhoewel dit bevel en deze opvatting volledig indruisen tegen mijn eigen inzicht, mijn eigen opvattingen, mijn eigen werkmethode, zie ik toch in de stem van de overste de Heer en moet dus bereid zijn, mijn innerlijke overtuiging om te vormen. En dat is dan de zogenaamde „geloofsgeest" ten opzichte van de spreekbuis van God de Vader zelf. Deze daad van geloof is dan voor mij en voor de kerk een verdienste. En de bijbeltekst om dit te staven? Lk. 10:16 „Wie u hoort, hoort mij!" Dat een dergelijke houding een mens in een diepe, ongewoon diepe eenzaamheid moet storten, die hij vanuit een verdienst-kompensatie in het toekomstig leven moet trachten weer aan te vullen, dat kan iedereen begrijpen, die weet, wat persoonlijke mening is. Zo is dan het evangelie niet zozeer een troost voor de kloosterling, maar een binnentreden in een voortdurend offer van zichzelf om te zijn zoals Christus. Geen uitvloeisel van het geloof en van de dankbaarheid om de geschonken genade der verzoening, maar het ontketenen van alle krachten der vernedering, der vermorzeling, der smart, der pijniging, der zelfverloochening, om „de hemel te bestormen" en „de dreigende hand van de Vader tegenover de wereld terug te houden". Zo schrijft dan Thomas à Kempis: „Iets groots, iets zeer groots is het, de troost van de mensen alsook die van God te kunnen ontberen en ter ere van God de ballingschap van uw hart gewillig te dragen." (II,9,1) Is dat onze roeping? Is Christus gekomen, om ons zijn troost te brengen, opdat wij dan zelfstandig in de eenzaamheid zouden moeten gaan en verdienen, wat Hij reeds „op onmetelijke wijze" op het kruis voor ons verdiend heeft?
Zich aan zichzelve wijden
Wij hebben dit woord reeds geciteerd. De vruchtbaarheid van de eenzaamheid is op een zelfheiliging gericht. De opvatting der theologen, dat het ordesleven het hart van de kerk is en dus de „gekoncentreerde genadekracht" door deze oasen naar de verste ledematen van deze kerk, naar degenen die alleen maar gedoopt en verder niets zijn, voert, zoals een elektrische centrale de stroom verdeelt, rechtvaardigt nog deze eenzaamheid niet. Op de eerste plaats gaat het in het klooster om de religieuze veiligheid van de eigen persoon. Het is en blijft een reservaat, dat echter niet beantwoordt aan de roep van het evangelie.
Spijts alles, spijts de vele theorieën, spijts de fijnste onderscheidingen blijven de kloosters erop gericht het egocentrisme te vergroten en te verstevigen. Ik en God! Mijn witgekalkte cel, waar ik in meditatie en boetedoening de diepste vereniging met God ontdek. Een separatisme, dat probeert sociaal te zijn en toch op zichzelf gericht blijft. De beweging gaat over God naar de naaste, niet over de naaste naar Christus, wat de weg van het evangelie is, daar Christus in ons allen woont met zijn Geest.
Navolging van Christus
„Wie zijn kruis niet opneemt en achter mij gaat, is mij niet w aardig" (Mt. 10:38), Wat betekent de navolging van Christus in het evangelie? Is deze navolging gerealizeerd in het kloosterleven?
Wij komen tot een antwoord. Zoals de uiteenzetting over het kloosterleven niet volledig is, kan ook ons antwoord hier maar een aanduiding zijn. Meer niet.
Wij zijn gerechtvaardigd door het zoenoffer van Christus. De poort naar dit zoenoffer is en blijft ons geloof. Niet een geloof der kennis van dit, wat wij niet kunnen zien, maar de volledige overgave van ons zelf aan Christus, in wie wij roemen en in wie wij alle heil gevonden hebben. Dit is de basis van onze heiliging in Christus. Wij zijn verlosten. Wij zijn totaal verlosten en wij hoeven aan deze verlossing niets meer toe te voegen. Dat is ons geloof. Vanuit deze overtuiging, vanuit deze zekerheid komt bij ons een dankbaarheid op, een grote, geweldige dankbaarheid tegenover onze Heiland en Herder. Wij zijn allen, waar wij staan in de wereld, in het geloof verbonden met de éne gemeenschap van Jezus Christus. In de bijbel zijn geen kringen te vinden, geen gemeenschappen binnen de gemeenschappen. Apostelen en discipelen staan midden in de wereld. Zo heeft ook Jezus gebeden: „Ik bid niet dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart voor de boze". (Jo. 17:15) En nu, daar wij deze verlossing en deze gemeenschap kennen, volgen wij onze meester. Dit is een proces van heiliging in de Heilige Geest. „Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was" (Ph. 2:5) Maar dit alles is betrokken op de gehoorzaamheid van Christus ten opzichte van de Vader, op zijn verzoening, op zijn verlossing door de dood en het kruis. Daarom dragen wij ook ons kruis, niet om te verdienen, maar om te leven in zijn Geest. Ons gebed, onze werken, alles is betrokken op deze verzoening, die reeds aan ons is verwezenlijkt langs de weg van het geloof.
Gemeenschap, geen eenzaamheid
Daarom hoeven wij ons niet terug te trekken uit de gemeenschap, uit de wereld, om God te vinden. Christus leeft in mijn broeders en zusters, midden in deze wereld van zonde en verderf. Ik heb geen pij, geen witgekalkte cel, geen afzondering, geen „georganiseerde stilte" nodig, geen kunstmatige serre om Christus te vinden. Neen, Hij leeft in mij en ik in Hem en ik aanbid de Vader „in Geest en waarheid" (Jo 4:23). Want allen zijn wij geroepen, het hemels Jeruzalem binnen te gaan. Maar niet hier, niet in deze wereld, en zeker niet binnen de muren van een geforceerde gemeenschap.
Gehoorzaamheid aan Christus
De Geest van Christus is de geest der gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid echter tegenover de Vader, niet tegenover menselijke instellingen. Deze gehoorzaamheid moeten wij niet manifesteren achter kloostermuren, niet in een oase, maar tussen hen, die onze broeders zijn. Dat is veel moeilijker. En toch weer gemakkelijker, want hier bouwen wij niet op onszelf, maar op de Geest Gods. „En de Geest waait waar Hij wil".
Een harde strijd achter muren
Veel van wat ik hier neerschreef heb ik niet pas door mijn kontakt met het protestantisme geleerd. Dat zijn dikwijls problemen, die in een bittere en soms hopeloze kamp binnen de muren van de kloosters zelf existeren. Wij hebben gestreden om de verwerkelijking van gemeenschappen van broeders en niet van „christelijke boeddhisten". Wij hebben geprobeerd deze armoede te beleven, daar, waar de kloosters alleen maar een doorn in het oog van de mensen waren, omwille van hun rijkdom. Ik weet dat velen van hen, die nog achter deze muren zitten en met treurige ogen mijn weggaan hebben gezien, nog steeds verder zoeken naar een juiste evangelische houding. Ik weet, dat ook velen met de vinger mij zullen aanwijzen en anderen erop opmerkzaam maken: „Daarheen komt men, wanneer men kritisch is, wanneer men niet onvoorwaardelijk zich overgeeft aan de wil van de overste."
Ik kan alleen zeggen: Verlaat dit verkapt boeddhisme en keert naar jullie families, naar jullie vrienden in de wereld terug. Trekt een gewoon kostuum aan en geeft getuigenis van het Woord door jullie liefde, door jullie leven in Christus. Manifesteert niet meer, maar verkondigt aan deze wereld de vreugde van de verlossing in Christus. En dan zullen wij op de dag van de Heer allen gemeenzaam binnen gaan in het hemels Jeruzalem.
OPGELET!
In de maanden juli en augustus verschijnt er maar één nummer. Het volgende nummer kiijrt u omstreeks 15 juli.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 juni 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
