Ik heb in het Licht geloofd
EERSTE STAPPEN IN HET LEVEN
Deze bladzijde uit dat dagboek was van mij, iemand die 10 juni 1951 priester was gewijd en die benoemd was tot geestelijk leider (director spiritualis) van het metropolitaan seminarie van Oviedo in 1954.
Zonder enige litteraire pretentie wil ik eerlijk en eenvoudig enkele omstandigheden uit mijn leven verhalen, die mijn overgang naar de reformatie zullen verklaren.
Ik ben geboren op 3 februari 1928 in een dorp van de provincie Asturias in Spanje. Mijn familie was streng rooms-katholiek. Ik had een oom en meerdere neven, die priester waren.
Toen ik acht jaar oud was, kwam een nicht van de rector van het seminarie als onderwijzeres naar ons dorp. Ik werd een van haar lievelingsleerlingen en steeds weer hamerde zij er bij mij het idee in, dat ik priester zou moeten worden.
Ik wist nog helemaal niet wat dat allemaal zou inhouden, maar mijn ouders waren enthousiast voor dat idee. Ik zou dan een familietraditie voortzetter, en omdat ze zeer vroom waren, en ook vanwege de grote eer, die aan het priester schap verbonden is, zou het voor hen een grote vreugde betekenen.
En om deze priesterroeping in mij aan te kweken, begonnen ze mij te omringen met allerlei vormen van vriendelijkheid. Ik werd door hen vertroeteld.
Ik was een jongen, net als de anderen. Ik hield van allerlei grappen en wilde streken.
Maar ze wilden van mij iets aparts maken. Telkens weer werd mij dat gesuggereerd. Als ze het over mij hadden, dan werd ik steeds voorgesteld als de meest ijverige en gehoorzame jongen, als een echte „lieverik".
Ik zou priester moeten worden. Dat was hun duidelijke bedoeling. Het streelde mijn ijdelheid, dat ze mij daarvoor hadden uitgekozen. En vooral die overlading met attenties, die bijzondere liefdevolle belangstelling voor mij, gaf mij een bepaalde innerlijke warmte. Maar later ben ik menigmaal innerlijk in opstand gekomen tegen deze methoden, die de persoonlijkheid misvormen, want men maakt het daardoor voor een kind onmogelijk om zich te uiten zoals het is. Men dwingt aldus het kind om een dubbel leven te leiden, om naast zijn eigenlijke „ik" zich een tweede persoonlijkheid te scheppen, die onecht en kunstmatig is.
En toen men altijd maar op deze manier over mij sprak, ging ik het zelf geloven en het hun ook nazeggen: Ik zou priester worden. ….
Er was vooral één argument, dat mij definitief tot dit besluit bracht. Op zekere dag vroeg de onderwijzeres mij: „Wil je in de hemel komen? Wil je zalig worden?" „Natuurlijk", antwoordde ik, „niets liever dan dat". „Welnu, dan moet je eens goed luisteren: Het is nog moeilijker dat een priester verloren gaat dan dat een steen zou blijven drijven op het water".
Ik weet niet of zij daarbij wilde zinspelen op een tekst uit de Bijbel, maar omdat zij voor mij zulk een groot gezag betekende, en vanwege de levende zeggingskracht van die woorden, kwam ik tot mijn definitieve besluit. Ik wilde de zaligheid van mijn ziel zeker stellen en daarom koos ik de veilige weg daartoe: het priesterschap.
Vanaf toen nam de onderwijzeres alle zorgen voor mij: nog intensere studie, nog meer praktijken van vroomheid en minder kontakt met de andere jongens. Ik leed daar erg onder. Wel werd ik overladen met uitingen van genegenheid, en dat was een compensatie voor mij. Maar van de andere kant voelde ik mij als iemand die deze genegenheid altijd weer moest terugbetalen.
Zo leefde ik een dubbelleven, bekleedde mij met een dubbele persoonlijkheid. Innerlijk kwam ik in opstand tegen deze onoprechtheid, maar ik kon niet anders. De mensen rondom mij en de omstandigheden legden mij dit schijngedrag op en ik was nog te jong en te weinig zelfstandig dan dat ik daar tegen op kon roeien. Hoe lang zou het nog duren, voordat ik mij zou kunnen bevrijden uit die kerker van de schijn, voordat ik alle banden zou kunnen verbreken, die mijn eigenlijke en ware persoonlijkheid, mijn diepste „ik" omknelden?
In het seminarie
Zo kwam ik dan in het seminarie, toen ik twaalf jaar was, in 1939. Het was toen een moeilijke tijd. In dat jaar was de burgeroorlog beëindigd, die een spoor van honger en leed na had gelaten.
Het seminarie van Oviedo was verbrand. De oversten moesten daarom verschillende huizen in het bisdom inschakelen om de seminaristen onderdak te verlenen. Ik heb in vier van die huizen enige tijd doorgebracht, voordat het nieuwe seminarie klaar was en ik daarin mijn studies kon voltooien.
Ook andere moeilijkheden kwamen uit deze naoorlogse situatie voort. Er waren niet voldoende middelen. Er ontbrak een geëigende omgeving en er waren ook geen geschikte personen, die onze vorming op zich konden nemen.
Toen ik in het seminarie trad, moest ik mij aan nog meer gekunstelde levensstijl onderwerpen. De onderwijzeres van de lagere school, die mijn priester-„roeping" had aangekweekt, was een nicht van de rector van het seminarie en zij had reeds van te voren door middel van haar oom een bepaald geestelijk klimaat rondom mij gelegd. Weer moest ik dus leven in die geforceerde houding van de dubbele persoonlijkheid. De oversten en zelfs de andere studenten, namen de troetelnaam „Celsin" (Celseke) over. Weer moest ik dus zijn: de vrome, plichtsgetrouwe seminarist, zoals zij zich die voorstelden.
God had mij een zacht karakter gegeven. Ik was gewillig en wilde het graag iedereen naar de zin maken.
Maar naarmate ik ouder werd, voelde ik mij van binnen steeds slechter worden. Er kwamen slechte en lage neigingen in mij op. Als doorns staken zij in mijn wezen en deden mij onnoemelijk veel pijn, want ik probeerde ze eruit te trekken, omdat ik immers beantwoorden moest aan het beeld dat men zich van mij gevormd had. Maar het lukte mij niet.
Zo leefde ik dan in het pijnlijke konflikt: van de ene kant was er die vertroeteling, die ik toch ook wel prettig vond, — en van de andere kant voelde ik mij als een huichelaar, omdat ik die speciale genegenheid niet waard was. En die huichelarij haatte ik zo, maar ik kon er niet onder uit.
Nooit heb ik een vriend gehad, die mij tot op de bodem toe doorgrondde.
Ik werd zeer gewaardeerd door de oversten. Mijn medestudenten hielden van mij en ik hield van hen. Maar er was niemand die een ander „ik" voor mij wilde zijn, geen vriend, waarin ik mijn ware persoonlijkheid zou kunnen ontdekken. Naar buiten had ik een bepaalde levensvorm aangenomen, die echter niet in overeenstemming was met mijn ware zijn, mijn eigenlijke „ik".
Daarom ging ik in mijzelf vluchten. De sfeer van studie en van vroomheid, en mijn aanleg daartoe, stuwden mij vanzelf in die richting.
Ik wist uit lektuur die men ons verschafte, dat dit egocentrisme gevaarlijk kon zijn voor jonge mensen. En ik streed er dan ook tegen. Ik wilde uit mijzelf treden. Ik wilde naar buiten tonen wie ik werkelijk was. Ik wilde de ban van dat idee dat men zich van mij had gevormd en dat men mij had opgelegd, doorbreken. Maar men begreep mij niet. Deze nieuwe uitingen van mij konden (en wilden?) ze niet in overeenstemming brengen met mijzelf, omdat ik mij vroeger steeds anders had geuit. Daarom leken die pogingen van mij om eerlijk mijn eigenlijke „zelf" weer te geven, voor hen juist onoprecht. Dat bracht mij tot wanhoop.
Het is zo jammer, dat ik nooit een overste ontmoet heb, die deze innerlijke strijd heeft begrepen. Ik heb altijd oversten gehad, die „goed" voor mij waren. Sommigen omdat zij mij nooit ernstig berispten of straften, anderen omdat zij steeds mij met alle achting behandelden. Nooit heb ik echter een overste gehad, die mij de persoonlijke weldaad wilde bewijzen van te trachten mij te begrijpen vanuit echte vriendschap.
De vorming die wij ontvingen, geschiedde volgens een standaardtype; het was seriewerk, confectie.
Enkele regels van orde en tucht, enkele voorschriften van de paus en de bisschop golden als richtsnoer voor allen, zonder ook maar enigszins rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden. Als elk individu, hoe dan ook, zich maar zou conformeren aan de massa en geen inbreuk zou maken op de gewone gang van zaken in de communiteit, dan was men tevreden. Als alles maar verliep volgens de uitgestippelde lijnen, dan interesseerde het hun verder niet meer, of iemands persoonlijkheid tussen deze ijzeren stangen van het reglement werd kapotgebroken Het leek er op alsof de oversten enkel aandacht hadden voor de handhaving van enkele uitwendige vormen zoals de voorgeschreven stilte, stiptheid, kaarsrecht gevormde rijen van studenten enz….! Maar de vorming van de menselijke en priesterlijke persoonlijkheid van elk afzonderlijk, daarvoor had men geen belangstelling. Vreemd, want wanneer wij als priester het seminarie zouden verlaten, dan zouden wij een leven beginnen, waarin juist heel veel van onze persoonlijke initiatieven verwacht werd. Als kapelaan of pastoor zouden wij niet meer in communiteit leven, maar als mensen met een eigen bestaan en karakter.
Het is duidelijk dat de meest geëigende manier om de vorming van het standaardtype te bereiken, de vrees is. De militaire en politionele houding van de oversten lag dan ook geheel in deze lijn. Hun „leiding" was een regering door de angst.
Ik wil hiermee op geen enkele wijze hun goede wil in twijfel trekken. Ik wilde slechts hun verschrikkelijke vergissing naar voren halen.
Op deze manier kon onze persoonlijkheid zich nooit ontwikkelen Wij waren als geestelijk gevangenen. Hevige spanningen huisden daardoor in ons, waaraan wij geen uiting konden geven. En zo leed elk van ons in stilte, stom en alleen.
Het is te begrijpen, dat ik het aanvankelijke doel, waarom ik in het seminarie was getreden, n.l. om rust te vinden voor mijn ziel, op deze manier nooit zou kunnen vinden. Ik wilde door priester te worden mijn eeuwig heil zeker stellen. Maar ik kon die zekerheid nog allerminst vinden. Ook dat betekende voor mij een grote teleurstelling.
Thans begrijp ik, dat deze manier van optreden ten diepste in overeenstemming is met heel het diktatoriale stelsel van de r.k. kerk, die immers ook geregeerd wordt door het inscherpen van de angst voor doodzonde en hel, waarmeè elke ernstige overrreding van een wet van de r.k. kerk gestraft wordt. De „Heilige Vader" in Rome heeft in wezen niets vaderlijks, maar is het hoofd van het meest geperfektioneerde diktatoriale stelsel, dat bestaat. In dit verband herinner ik mij een zin, die tijdens de retraite door een pater capucijn er voortdurend bij ons in werd gehamerd: „Por un momento de placer, - una eternidad de padecer", = Voor één moment genot - wordt eeuwig leed uw lot.
(Dit doelt vooral op de zonde tegen het zevende (r.k. zesde) gebod. Wanneer men slechts één moment, slechts één seconde, vrijwillig behagen heeft in een opkomend sexueel gevoel, dan doet men op hetzelfde moment doodzonde, en als men dat niet wil biechten en men komt zo te sterven, dan gaat men voor eeuwig verloren. Aldus de r.k. moraal. Red.)
Toch bleef God mij nabij. En ook het priesterschap bleef mij trekken. Ik vond het heerlijk om straks anderen te kunnen helpen in hun problemen, maar dan op een andere manier als waarop ik nu behandeld werd.
Ook was ik gevoelig voor de miserie en het leed van anderen. En ik zag geen andere manier om eens de bedroefden te kunnen troosten en de wankelenden de helpende hand te kunnen bieden dan in het r.k. priesterschap. Ik wilde mij daaraan dan ook overgeven in een levende en blijvende liefde voor God en de evenmens.
Tijdens mijn studie van de humaniora en de filosofie spande ik mij met al mijn krachten in om de liefde voor Christus in mij te verwerven en om de problemen van de puberteit en van de adolescentie te overwinnen, maar de innerlijke vrede, waarnaar ik zo hunkerde, kwam maar niet.
Maar hoe zou ik ooit de liefde tot Christus kunnen bereiken op deze manier? Liefde is immers steeds spontaan. De liefde moet van binnen uit opkomen.
Maar hoe zou ooit zulk een liefde vanzelf in mij kunnen opkomen, zolang ik niet aanvaardde dat het liefdewerk van Christus voor mij niet af was, zolang ik niet geloofde, dat Jezus alles had volbracht voor de voldoening van mijn schuld?
Hoe zou er uit mijn angstige en zelfzuchtige wezen een echte liefde tot Christus kunnen opbloeien, als ik van Hem geloofde dat Hij mij maar voor een gedeelte heeft liefgehad om daarna opnieuw uitsluitend mijn rechter te worden, die al mijn zonden uitpluist tot de laatste details?
Het was zinloos, dat men voortdurend tegen me zei: „Je moet Christus liefhebben, — je moet Christus liefhebben", zolang men mij niet een Christus gaf, die mij geheel en al had liefgehad, zozeer dat Hij mijn volkomen behoud is geworden. Dat zou alleen maar uitlopen op een vruchteloze poging om een liefde in mij te forceren, die maar niet vanzelf zou willen ontspruiten en dus geen echte liefde zou zijn.
De Christus die men mij deed kennen, was onvolkomen en daarom kon ik nooit door zijn gestalte geboeid worden.
Bovendien liefde heeft de rust nodig als voedingsbodem. Maar ik zou immers altijd in de onrust moeten blijven, zolang ik op mijn eigen werken steunde? Dan zou ik mijzelf immers altijd moeten afvragen, of ik wel voldoende gedaan had voor de vergeving van mijn zonden.
Thans zie ik in hoe dwaas en ijdel ik ben geweest. Niet ik kan met mijn nutteloze en onbetekenende werken voor mij de vrede kopen. Het is mijn God en Vader, die deze vrede aan mij geeft in Jezus Christus en die mij de zekerheid daarvan verzegelt door zijn Woord en zijn Geest.
Heb dank, o Here, dat Gij mij Jezus gegeven hebt!
(Wordt vervolgd).
Bij de priesters die de Wartburg binnenkomen, zijn er met allerlei talenten. Eén daarvan is schilder (zijn naam kunnen we uit veiligheidsoverwegingen nog niet vermelden.)
Hij maakte deze pentekening van br. Celso Muniz (hiernaast) en van nog anderen.
Vooral die van br. Muniz is uitstekend geslaagd. Je ziet er heel goed het karakter en de houding in van een professor in de ascetische en mystieke theologie..
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
