In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

KLEM U NIET VAST AAN DE dwaling

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KLEM U NIET VAST AAN DE dwaling

8 minuten leestijd

Wij ontvingen het volgende schrijven:

Mag ik U vriendelijk, doch dringend verzoeken uw tijdschrift „In de Rechte Straat" niet meer te willen sturen.

Mijn priesterschap is mijn grootste levensvreugde en niemand zal mij scheiden van mijn kostbaarste bezit. Een priester, die zichzelf in oblatieve liefde aan de Heer en aan de liefde gemeenschap (de Kerk) wegschenkt, kan wel zwak zijn, maar doet nooit afbreuk aan zijn beloofde trouw.

Mijn geliefde broeders-in-het-priesterschap, voor wie U wilt zorgen, mogen rekenen op mijn gebed en mijn begrijpend hart.

Eerbiedig in Christo Jesu,

w.g. J. van Huynegen te Antwerpen.

P.S. Publiceert U ook deze brief??

Natuurlijk publiceren wij met alle genoegen deze brief. Ons blad wil immers ten dienste staan van het getuigende gesprek met Rome. Graag nemen wij daarom bijdragen op van rooms-katholieken, opdat ze in hun eigen taal en op hun eigen wijze hun standpunt aan onze lezers kunnen uiteenzetten.

Dat is juist ons bezwaar tegen Rome, dat aan rooms-katholieken, ook aan priesters, volgens can. 1399 verboden is om protestantse lektuur te lezen, en dat de massa van de rooms-katholieken, ook van de priesters, omtrent de leer van het protestantisme wordt voorgelicht door de weinigen, die dispensatie hebben gekregen van dit boekenverbod.

Onze waardering

Wat nu de inhoud betreft, allereerst onze waardering voor het bewogen priesterhart, dat uit deze brief spreekt. Hier is een mens aan het woord, die lijdt om de wereld, cm de vele ongerechtigheid, die daarin geschiedt. Deze priesterlijke bewogenheid met de wereld is mooi en goed.

Op zichzelf is dat echter nog niet bijbels. Wie de boeken van Alfred Adler en Küng leest, zal ook onder de indruk komen van de waarachtige liefde voor de gemeenschap, die daaruit spreekt. Zij prediken ook, dat de afzonderlijke mens zich moet onderschikken en dienstbaar moet maken aan de gemeenschap.

Wel is deze oblatieve liefde, waarvan priester Huynegen spreekt, meer bijbels ge kleurd. Maar men kan ook een dwaling opfleuren met een bijbelse kleur.

Levensgevaarlijke dwaling

Want een dwaling moeten we toch de gedachtengang van priester Huynegen noemen.

Als hij zijn r.k. priesterschap, waarbij het opdragen van de Mis een belangrijke plaats inneemt, zijn grootste levensvreugde noemt, dan is dat levensgevaarlijk. Want dan heeft hij blijdschap in iets dat geheel en al tegen de Bijbel ingaat. Immers wie o.a. de brief aan de Hebreeën bestudeert, zal toch moeten erkennen, dat daar voortdurend in de meest duidelijke bewoordingen wordt gezegd, dat Christus Zichzelf eens en voor goed (Grieks: „ephapax") ten offer heeft gebracht, dat zijn offerande volmaakt was, in staat om allen te heiligen.

Hoe kan iemand er zijn grootste levensvreugde in vinden om elke dag iets te doen, dat in de grond toch immers een verloochening is van de algenoegzaamheid van het éne offer van Christus aan het kruis? Nergens staat dat dit offer nog eens opnieuw zou moeten tegenwoordig gesteld worden. Als Jezus aan het kruis zegt: „Het is volbracht", dan voegt Hij er niet aan toe: „En dit kruisoffer van Mij moet nu nog telkens weer op onbloedige wijze opnieuw tegenwoordig gesteld worden. Dit offer moet zich herhalen in het opdragen van de Mis, die telkens weer een waar en eigenlijk offer is (verum et proprium sacrificium, - aldus Trente).

Het is na de instelling van het Avondmaal, dat Jezus heeft gezegd: „Doet dit tot mijne gedachtenis", maar niet aan het einde van zijn kruisoffer.

Een aanmatiging

Vervolgens: Hoe kan iemand er zijn grootste vreugde in vinden om iets te doen dat toch eigenlijk een aanmatiging is?

Immers de priester meent, dat hij elke dag een wonder kan verrichten. Hij meent dat God Zichzelf verplicht heeft om iedere keer als een priester de woorden van de consecratie uitspreekt, brood en wijn te veranderen in het lichaam en bloed van zijn eigen Zoon, Jezus Christus.

Maar als Jezus zegt: „Doet dit tot mijne gedachtenis", dan moeten wij ook inderdaad precies hetzelfde doen als wat Jezus heeft gedaan. Welnu, de Bijbel zegt, dat Jezus „in de nacht, waarin Hij werd overgeleverd, een broed nam, de dankzegging uitsprak, het brak en zeide: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis" (1 Kor. 11:23-24).

Hier staat helemaal niet tussen gevoegd: „Het (brood) veranderde in zijn lichaam". Jezus heeft helemaal niet de opdracht gegeven om brood te veranderen in zijn lichaam. Zulk een belangrijke opdracht (en volmacht) zou Jezus (en later apostel Paulus) er toch zeker wel hebben bijgevoegd.

Thans echter beweert de rooms-katholieke kerk dat hun priesters toch die opdracht en volmacht hebben. Dat tracht men dan te bewijzen op grond van allerlei redeneringen, bijvoorbeeld uit het woordje „is", terwijl Jezus dit woordje zo dikwijls in beeldspraak gebruikt, bijvoorbeeld „Ik ben de deur".

Is het dan geen vermetelheid om, enkel op grond van redeneringen, zich zulk een wondermacht toe te eigenen, en van de andere mensen te eisen dat zij zulk een wondermacht erkennen en het geconsacreerde brood aanbidden? Denkt men nu werkelijk, dat God voor alle eeuwen een stuk van zijn scheppingsmacht aan een bepaalde categorie mensen afstaat en altijd weer gehoorzaamt aan het woord van de priesters, - en dat Hij zulk een diep-ingrijpende bepaling niet uitdrukkelijk in zijn Woord zou hebben laten vastleggen?

En nog eens: hoe durft iemand het zijn grootste levensvreugde te noemen om elke dag zich deze wondermacht aan te matigen?

Niemand zal mij scheiden van mijn dwaling:

Benauwend is de uitroep: „Niemand zal mij scheiden van mijn kostbaarste bezit".

Ik lees wel in de Bijbel: „Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch heden, noch toekomst, noch krachten, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here" (Rom. 8:38, 39).

Wij mogen en moeten het Paulus nazingen: „Niemand zal mij scheiden van mijn kostbaarste bezit, n.l. de liefde Gods in Christus Jezus". Maar wanneer men iets anders ons kostbaarste bezit gaat noemen, en dan nog bovendien durft uitroepen, dat niemand ons daarvan scheiden zal, dan is dat bijna een uitdaging van Gods barmhartigheid. Dan lijkt dat op een zonde tegen de Heilige Geest, waarbij men zich moedwillig verhardt in eigen standpunt, dat men niet eens meer wil laten kontroleren door de Bijbel, het Woord van God, waaraan de Heilige Geest Zichzelf gebonden heeft.

Dan staat men in wezen op een lijn met heidense extatici, die zozeer zwelgen in eigen mystische ervaringen, dat ze zich die ook om geen enkele reden wdlen laten ontnemen.

Vlucht

En het feit, dat deze priester dringend verzoekt om niet meer ons blad te ontvangen, wijst toch enigszins in deze richting.

Immers als hij volkomen priesterlijk bewogen was, dan zou hij juist ons blad moeten blijven lezen. Wij zijn immers volgens hem afgedwaalde schapen.

Welnu, Jezus ging de afgedwaalde schapen opzoeken, maar deze priester stoot hen af, wanneer zij kontakt met hem zoeken in hun blad.

Wij kunnen dit dringende verzoek om niet meer „In de Rechte Straat" te sturen dan ook moeilijk anders beschouwen dan als een vlucht voor Gods Woord, dat in ons blad telkens verkondigd wordt.

Zeker, het is veel gemakkelijker om te blijven leven in de verdovende toestand van een enigszins magisch priesterschap, dan om als gewoon mens tussen alle anderen te leven. Het is hard als men tot de ontdekking moet komen, dat men niet slechts geen wondermacht van God heeft ontvangen, maar dat men, door dit zo lichtvaardig te geloven en anderen te doen geloven, een verschrikkelijke aanmatiging heeft begaan, waarover men zich alleen maar schamen kan. Dan moet men immers ineens van het voetstuk waarop men zich verheven waande, afdalen. Dan is men niets bijzonders meer. Ja, dat is pijnlijk.

Waarschuwende liefde

Maar daarom menen wij, dat wij ons blad voorlopig toch moeten blijven sturen. Deze priester kan het dan verscheuren en direkt naar de prullemand verwijzen, maar dat is dan voor zijn verantwoording. Wij hebben dan ik elk geval niet nagelaten hem te waarschuwen.

Tenslotte: Het is ook voor ons niet prettig om op zulk een overigens heel vriendelijke brief zo te moeten antwoorden. Maar wij mogen de waarheid niet verzwijgen om mensen te behagen.

Ik hoop dan ook dat priester Huynegen en zijn confraters toch achter dit schrijven de echte liefde kunnen zien. Liefde die niet waarschuwt voor wat men als een ernstig gevaar ziet voor de ander, is geen liefde.

Wij danken priester Huynegen voor zijn gebed. Wij, de lezers van „In de Rechte Straat", zullen ook hem gaarne in onze gebeden gedenken.

Een beetje ondeugend slot

Ik heb wel met veel air beweerd, dat wij ons blad zullen blijven sturen aan priester Huynegen. En dat kunnen we ook best.

Maar we zouden ook graag voortgaan met ons blad af en toe te zenden aan alle priesters in Nederland en België.

In 1962 hebben de financiën ons daartoe één keer in staat gesteld.

Hoe zal het zijn in 1963? Eén keer? Meerdere keren? Dat hangt af van u, abonnees en vrienden van In De Rechte Straat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

KLEM U NIET VAST AAN DE dwaling

Bekijk de hele uitgave van dinsdag 1 januari 1963

In de Rechte Straat | 32 Pagina's