De vervloekte afgoderij
Ter inleiding van dit artikel
Het is met bijzonder veel genoegen, dat wij dit artikel van br. Grätz plaatsen. Dit is wel een heel duidelijk voorbeeld van opbouwende kritiek. En ook van de gezonde en vruchtbare samenwerking tussen ons, die vanuit de rooms-katholieke kerk de reformatie binnentreden, - en hen die daarin geboren en opgegroeid zijn.
Wij kijken er fris tegen aan en wij luisteren vooral ook met de oren van zoekende rooms-katholieken, die een kerkdienst van ons bezoeken. We hopen zo, dat ook zij tot de volle vreugde in Jezus Christus zullen komen, die wij gevonden hebben. En dan zijn we bang dat er iets is dat hen nodeloos stoten zal.
Maar zij die in de reformatie geboren zijn, denken meer vanuit het behoud van hen die binnen zijn en bovendien kennen zij beter de achtergronden van waaruit bepaalde protestantse gewoonten zijn ontstaan.
Zo draagt elk de gaven, die hij van God heeft ontvangen, in de gemeente binnen tot opbouw van het éne Lichaam van Jezus Christus.
Ten behoeve van de rooms-katholieke lezers, die de Heidelbergse Catechismus niet kennen, drukken wij hier vraag 80 af.
Vraag 80 — Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de Paapse Mis?
Antwoord. — Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hijzelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door den Heiligen Geest Christus worden ingelijfd, die nu naar zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn. Maar de Mis leert, dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de Mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden; en alzo is de Mis in den grond anders niet, dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.
N.B. Het woord Paaps is Oud-Nederlands en betekent pauselijk.
IN HET OKTOBERNUMMER van „In de Rechte Straat" spreekt Ds. Hegger in het artikel „Oecumenische daden gevraagd - van Rome …. maar ook van de Reformatie" (blz. 23 e.v.) de wens uit, dat het woordje „vervloekt" uit de uitdrukking „vervloekte afgoderij", in antwoord 80 der Heidelbergse Catechismus ten aanzien van de mis gebezigd, zou worden geschrapt. Gaarne zou ik hem en de lezers naar aanleiding hiervan een en ander in overweging willen geven.
Om te beginnen zou ik willen opmerken, dat het mij goed lijkt, de waarschuwing van ds. H. tegen een „farizeïsche houding op dit punt" ter harte te nemen. Wanneer toch dat woordje „vervloekte" een nodeloze toevoeging blijkt te zijn, slechts reminicerend aan „de hitte van de strijd tegen Rome", dan klinkt het inderdaad „als een knauw achteraf, als een liefdeloze trap". Dat het als zódanig voor de roomsen kwetsend is, ben ik dan roerend met hem eens. Nodeloos een vervloeking onderstrepen is zeker niet naar de stijl van 1 Cor. 13:4 en 5. Ook al gaat het dan tegen de leer van hen, die sinds eeuwen vijandig hun vervloeking over onze personen handhaven, dan geldt nòg: Hebt uw vijanden lief, zegent wie u vervloeken, en: overwin het kwade door het goede!
Ook de Bijbel heeft „nodeloze" toevoegingen?
Toch zullen we, al was het alleen maar uit eerbied voor ons (thans bijna vier eeuwen oude!) belijdenisgeschrift en zijn wel rijk met Gods Geest begenadigde opstellers, niet kunnen ontkomen aan het onderzoek naar de bedoeling van dit toevoegsel „vervloekte". Al weten we uiteindelijk allemaal wel, dat afgoderij vervloekt is, is dáármee dan zonder meer bewezen, dat het er nodeloos bij staat? Het is in dit verband opvallend, dat we ook in de Bijbel uitdrukkingen vinden, waarin schijnbaar overbodige woorden voorkomen! Daar is bijvoorbeeld het bekende „de dood sterven", dat, als ik het wel heb, veertien keer in het Oude Testament voorkomt. In de grondtekst staat er zelfs telkens tweemaal het zelfde stamwoord bijeen. Verder denk ik ook aan het achtmaal in de Schrift voorkomende: „een verterend vuur". Men kan nu redeneren: Wat kun je ànders sterven dan de dóód? En welke eigenschap is aan het vuur méér inhaerent dan vertéren? Zijn die woorden „dood" en „verterend" nu echter nodeloos toegevoegd? Of - moeten we ons hier maar goed laten waarschuwen door onze God met door Hem noodzakelijk geachte „omhaal" van woorden, welke ons leert, dat de mens als straf op de zonde maar niet „ontslaapt", doch dat wàt hij dan sterft: de dood is en de Heere God maar niet als een vuur is waaraan je je brànden kunt, doch dat Zijn toorn als een vuur de zondaar verteert!
Zulke Bijbelwoorden mogen ons ook elders voorzichtig maken.
Inlassing na het concilie van Trente
Wie verneemt, dat vraag en antwoord 80 eerst in de tweede druk van de Catechismus in 1563 zijn ingelast, juist na de recente vervloeking van de ketters door het Trentse concilie, kan zeggen, dat hier de zaak echter anders ligt en dat deze extra vervloeking niet meer is dan het terugkaatsen van de bal en dus een fel woordje is uit de hitte van de strijd.
Dit ware zo, indien slechts dat éne woordje „vervloekte" was toegevoegd. Wat er evenwel in de tweede druk bij kwam, was een heel nieuw vraag & antwoord. Men besefte na Trentes vonnis, hoe „Rome" nu wel onherroepelijk het katholieke pad verlaten had.
Heidelberger niet Heidelberger vergelijken
Om nu de bedoeling met dat woordje „vervloekte" te verstaan, kunnen we het beste bij de Heidelberger zélf in de leer gaan.
Opvallend is nu, dat het in de Catechismus bij de behandeling van de wet slechts één maal t.a.v. de daar genoemde zonden voorkomt, n.l. bij die tegen het zevende gebod (antwoord 108). (Dat is het roomskatholieke zesde gebod. Red.) Ook hier zóuú men aan „rooms zuurdesem" kunnen denken. Immers op blz. 17 van hetzelfde oktobernummer lezen we nog eens, hoe de rooms-katholieke moraal speciaal elke vorm van ontucht doodzonde noemt.
En treft ons zelf dan niet een dergelijk verwijt van zulk zuurdesem, als we de qualificatie „onzedelijkheid" bijna uitsluitend reserveren voor dat zevende gebod van de zedewet?
Ik meen, dat in dit laatste geval dat verwijt juist is, doch dat onze Catechismus die blaam toch niet verdient, noch op het, hier nu niet verder aan de orde zijnde, punt van een overtrekken van de zonden tegen het zevende gebod, nóch ook op het punt van een rooms onderscheid tussen de zonden als ds. H. ter sprake bracht in zijn artikel.
Als de Catechismus in antwoord 100 de godslastering een zonde noemt, welke God het meest vertoornt, dan wordt het bewijs daarvoor meteen aan de Schrift ontleend (Lev. 24:6). De gradatie, die God van de zonden aanlegt (cf. ook Cen. 18:20) is echter een totaal àndere dan de zondeverdeling bij de roomsen.
Ook onkuisheid vervloekt
Wat betreft nu het gebruik van het woord „vervloekte" in de antwoorden 80 en 108, zullen we er m.i. wèl op moeten letten, dat van de drie belijdenisformulieren de Catechismus zich niet alleréérst naar buiten richt, doch vóór alles leerboek wil zijn! Met name tegen de jeugd der kerk, wordt hier nadrukkelijk gezegd, dat niet slechts speciale ontucht door God vervloekt is, doch dat alle onkuisheid dit oordeel treft, dat God daar een afschuw van heeft.
Verder leren de kinderen der kerk dan ook, dat de mis afgoderij is. Doch zij (en ook de groten) krijgen hier maar niet een veroordeling van de roomse (of, zoals men vroeger pleegde te zeggen: de paapse) mis in een puur dogmatische vlak, neen, het komt in de praktijk nu pal op je af! Weet het nu góéd, zegt de leraar: terwijl de roomsen die mis heilig noemen, zegt onze hemelse Vader er vol afschuw: „bah!" van! Mócht je dus (uit nieuwsgierigheid of vanwege gemeende verplichtingen aan een relatie) in een rooms kerkgebouw komen, waar men dus de hostie aanbidt, zeg dan níét: Eigenlijk kan ik hier leerstellig niet mee instemmen, doch beleef dan praktisch, hoe groot Gods àfschuw is, van wat daar gebeurt, omdat het afgoderij is!
Een geneesheer moet durven snijden
Neen, de Catechismus leert zijn belijders nu niét, maar eens een liefdeloze trap te geven, noch ook om kwetsend op te treden.
Veeleer zal droefheid over zulk een verloochening van het enige offer van Christus en eerroof van God ons vervullen. Onze liefde tot de dwalenden zal lankmoedigheid en goedertierenheid moeten vertonen, doch de dwaling zullen we verafschuwen: „Haat ook de rok die van het vlees besmet is" (Judas vs 21). En juist vanwege die betoning van liefde zullen we vervolgens óók die dwalenden de ware aard van hun dwaling moeten voorhouden. Laten we daarbij dan niet psychologisch-wijzer en meer tegemoetkomend willen zijn dan onze Here Jezus zelf, Die in Nazareth geen aangename woorden kon spreken (Luc. 4:22-24). Christus is gezet tot een val en een opstanding. Dat geschiedt ook dóór ons getuigenis. Als we echter maar niet vanwege ons farizeïsme of onze lichtgeraaktheid óver ons doen struikelen! Daarom zullen we de waarschuwing van ds. H. in deze zeker ter harte dienen te nemen. Overigens hoeven we ook weer niet uit àl te grote angstvalligheid ons profetisch getuigenis te smoren. Er zijn mensen, die grofheid van een kundig arts maar voor lief nemen, om tenminste genezing te vinden. Maar er zijn er óók, die van wíé dan ook, nimmer het curerende mes in hun zieke vlees tolereren. Het is maar weer: In hóé grote nood ziet men zich verkeren….
Toch een milde ondertoon
Dat het achteraf in onze Catechismus ingevoegde antwoord níét door de hitte van de strijd is ingegeven, blijkt duidelijk uit de milde, doch niet minder zekere woorden: „Zo is de Mis in de grond niet anders dan….". Het anathema, dat heus niet blindelings alom van de daken hoeft worden verkondigd, is hier sparenderwijs allereerst gereserveerd voor het leerboek, dat als zodanig dan toch wel moet ontvouwen en derhalve zijn leerlingen ook eens die roomse offerande op de keper wil doen beschouwen! En Christus zegt: Zalig, wie aan Mij niet geergerd zal worden" (Matth. 11 : 6, cf. ook 15 : 12 - 14!).
Ik meen dan ook, dat het woordje „vervloekte" hier niet nodeloos staat voor de betiteling van de mis als afgoderij. Al is dit kostelijke leerboek en belijdenisgeschrift onzer kerken nu bijna aan haar vierde eeuwfeest toe, toch is het nog allerminst verouderd of uit een voorbije strijd. Waar men thans maar wat gauw met allerlei onkuisheid van doen krijgt en via radio, televisie en allerlei omgang ook menigmaal met de mis, daar is het een kostbaar goed om zulk een leerboek te hebben, dat niet maar zegt: respectievelijk komt dit niet te pas en hoort dat voor een protestant ook niet, doch één, dat ons onverbloemd leert, en doet inzien: Hoedt u om uws levens wil, want weet wèl hoezeer uw God van deze zonden een afkeer heeft!
Zo komt dus de Catechismus met haar „in de grond is de mis…." reeds enigermate tegemoet aan de wens van ds H., n.l. dat we onze spijt zouden moeten uitdrukken om het dusdanig brandmerken van wat roomsen zo dierbaar is.
Gaat de Catechismus in haar veroordeling dus voorzichtig en mild te werk, toch is zij daarbij niet minder stèllig! De opstellers aarzelden niet, om tot op de bodem door te tasten, omdat zij zich in hun oordelen hier weten te staan op de granieten vloer van het Woord Gods. En het feit, dàt de Catechismus zich aan dat Woord Gods paart, als hij afgoderij vervloekt noemt, zal niemand onzer ontkennen. Zie bijvoorbeeld Jer. 17:5. En de liefde tot God sluit de vrees voor mensen uit. Profeterend tegen „Rome" hebben wel alle uitgetreden priesters ondervonden, dat - tenzij God de harten opent - zij niet meer aangenaam zijn in hun „vaderstad".
„Als het eens niet waar is, dan….."
Dit heeft m.n. ds. H. ook vérder geriskeerd, toen hij, kennelijk gedreven door warme bewogenheid, destijds zijn felle en hartstochtelijke boek „Moeder, ik klaag u aan" de wereld in zond.
Sprekend over de leer der transsubstantiatie, vraagt hij op blz. 165 a.w. „Als het eens niet waar is, dan pleegt u elke dag een vervloekte afgoderij". Als. ds. H. zich daar regelrecht en indringend richt nota bene tot de priesters met de woorden van antwoord 80, dan kan hij nu dat woordje „vervloekte" moeilijk als kwetsend afwijzen en het gebruik er van aan het, tot de kern doortastende, leerboek der kerk euvel duiden, zonder de kracht te ontnemen aan het slot van zijn boek, waar hij zijn felheid aldus verklaart(blz. 196 a.w.): „Daarom moeten wij elkaar met profetische geestdrift wijzen op deze roeping. Al dat zoetsappig gebazel haalt niets uit. We strelen onszelf dan alleen maar met de gedachte, dat we zo beleefd en ruim kunnen zijn voor anders-denkenden, maar dat het koninkrijk Gods wegkwijnt onder onze zalvende woorden, dat merken we nauwelijks".
Het gaat er mij in dit uitvoerige artikel allerminst om ds. Hegger eens vast te zetten, door hem tegen zichzelf uit te spelen, of om zomaar eens wat critiek te leveren. Dan toch had ik kunnen volstaan met deze citaten uit zijn boek.
Ik heb echter te veel waardering voor zijn persoon en werk als ook voor „In de Rechte Straat", dan dat ik mij hier tegenover hem wil stellen. Zijn prachtige en zo leerzame boeken schreef hij kennelijk in de gloed van de persoonlijke pasdoorleefde strijd, daarmee dan dus verkerend in het goede gezelschap van een door Gods Geest zo kennelijk bezielde Ursinus c.s.
Zijn m.i. nu wat al te welwillende artikel raakte echter een punt, waarop men onder ons die kostelijke Catechismus veelal niet meer volgen wil. Daarom heb ik getracht een positieve bijdrage te leveren om die hem en de lezers voor te leggen in de hoop, dat we in 1963 het vierde eeuwfeest van de Catechismus mogen vieren met te meer kinderen Gods, die allen getuigen, niet dat in die Catechismus en in de andere geloofsstukken hun credo wel voorkomt, doch dat ook antwoord 80 zoals het daar staat een onderdeel van hun credo is!
I Jsselmuiden
EEN NASCHRIFT
Niet over de inhoud van dit artikel. Ik geloof dat dit niet nodig is. Het zou misschien leerzaam zijn, wanneer men op een jeugdvereniging bijvoorbeeld onze beide artikelen bestudeerde. Indien er dan nieuwe gezichtspunten worden geopend, dan zijn wij gaarne bereid om ook die in ons blad op te nemen.
Toetsing door de broeders
Maar wel graag iets over onze profetische houding, waarover br. Grätz schreef. Ik zou daarover dit willen zeggen: Volgens de Bijbel moeten alle Nieuw-testamentische profetieën getoetst worden .„Wat de profeten betreft, twee of drie mogen het woord voeren, en de anderen moeten het beoordelen" (1 Kor. 14:29). Als dat reeds van de echte profetieën geldt, dan moet dat zeker gebeuren, wanneer het gaat over profetische inzichten of over profetisch getuigen. Dan moet ook dat steeds weer door de broeders getoetst worden.
Welnu, over „Moeder, ik klaag u aan" is er nog al wat toetsing gekomen. Er is heil wat over geschreven.
En er waren ook meerdere broeders, die mij veel te fel vonden. Ze vonden dat beslist niet de goede methode om het Evangelie te brengen aan een rooms-katholiek.
ik gebruik met opzet het woord „broeders". Want onder deze tegenstanders van „Moeder, ik klaag u aan" waren heus niet alleen naam-protestanten, die zich alleen laten drijven door een oecumenische mode. Neen, daar waren ook echte kinderen Gods onder, die Jezus Christus niet slechts kennen vanuit de belijdenisgeschriften of vanuit de Bijbel als historisch boek, maar die Hem kennen met de volle geloofsliefde. Kortom het waren echte „broeders".
En naar „broeders" moeten wij altijd luisteren. En zo ging ook ik dan wel eens twijfelen: Ben ik er dan toch misschien naast?
En ik moet ook eerlijk zeggen, dat ik tot de overtuiging ben gekomen, dat deze broeders hier en daar toch beslist wel gelijk hadden.
Twee brieven
Maar eenvoudig is deze toetsing niet. Een voorbeeld: Een tegenstander schreef, dat hij een boek van mij aan een zoekende rooms-katholiek had laten lezen, die al een paar keer in de kerk was geweest. Ze was daar zo van geschokt geworden, dat ze nu ineens niet meer naar de protestantse kerk wilde gaan.
Zo iets mag je niet zo maar naast je neer leggen. Je moet dan toch nadenken: Wat moet je dan veranderen?
Maar nauwelijks twee weken later kreeg ik een brief van een rooms-katholieke dame. Een gereformeerde broeder had haar een half jaar geleden „Onder hetzelfde Kruis" gegeven. „Ik deed al lang niet veel meer aan mijn rooms-katholiek geloof en ging maar eens af en toe naar de Mis. Maar door uw boek ging ik ineens weer praktiseren. - Dat heeft echter slechts enkele maanden geduurd en toen las ik weer eens uw boek. En toen moest ik toch erkennen, dat U gelijk had".
Daaruit blijkt wel, dat de dingen niet zo eenvoudig liggen. Iemand kan door een profetisch getuigenis zozeer in zijn diepste zelf geraakt worden, dat zijn eerste reaktie er een is van afweer. Maar als hij een eerlijke levenshouding heeft, zal toch langzamerhand het besef bij hem bovenkomen, dat zijn negatieve reaktie van het begin juist voortkwam uit het feit, dat hij ineens onverbloemd met de waarheid werd geconfronteerd.
En gisteren nog sprak ik met een ex-rooms-katholieke, die een 25 jaar geleden tot de reformatie was overgegaan. Zij was daartoe gekomen, omdat op een straat-prediking een evangelist had gezegd: „Men mag geen beelden vereren. Dat is in wezen afgoderij". Dat had haar niet met rust gelaten. Ze vroeg zich telkens af: Doen wij, rooms-katholieken, dan zulke vreselijke dingen?
Nog eens: de dingen liggen zo eenvoudig niet.
Interkerkelijke toetsing van broeders
Het grote voordeel van ons blad is, dat hierin broeders van allerlei reformatorische kerken en kringen aan het woord kunnen komen. Zo kunnen allerlei kwesties vanuit de Bijbel veelzijdig belicht worden.
Wij mensen, hebben altijd de neiging om vanuit ons eigen groepje te denken. We redeneren vanuit bepaalde schema's die we van onze opvoeding mee hebben gekregen.
Dat is veel gemakkelijker dan wanneer je telkens naar de ander luisteren moet. Het kost inspanning om oprecht te willen verstaan wat de ander bedoelt. Wij zijn van nature zo lui in ons denken. We komen veel liever met lang verworven standpunten aandragen, dan dat we er iets nieuws willen bijleren.
Ook onze hoogmoed en eigengereidheid speelt daarbij een grote rol. We geven niet graag toe, dat we van een ander nog iets kunnen leren.
Ook de collectieve hoogmoed kan een grote hinderpaal zijn. In vele kerken wordt aan de mensen de gedachte meegegeven: Onze kerk…. dat is „je" van „het". En men leert dan om met een zekere minachting neer te zien op ander kerken en groepen, waardoor men zich afsluit voor allerlei Bijbelse aspekten die buiten onze eigen kerk door de broeders (ja, beslist: „broeders") vanuit vanuit de Bijbel naar voren worden gehaald.
Zo verarmen wij en maken wij het onmogelijk, dat „thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse geweesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden" (Ef. 3 : 10).
Ja, laten wij elkander dienen met de inzichten die God aan ieder van ons geeft in Zijn Woord door zijn Geest.
Heus, de fout ligt bij ons en niet bij God. Want Christus schenkt allerlei gaven en ambten aan de gemeente „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus" (Ef. 4:12, 13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1962
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1962
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
