Ik heb in het Licht geloofd
Br. Muñiz was professor in de ascetische en mystieke theologie van het vierde cursusjaar van de theologie, geestelijk leider van de filosofische afdeling van het groot-seminarie van Oviedo, diocesaan directeur van de propaganda voor priester-roepingen, leider van retraites voor priesters.
Op 14 september verliet hij Spanje en de rooms-katholieke kerk en kwam op 15 september bij ons in De Wartburg.
Het is te begrijpen, dat de rooms-katholieke kerk van Spanje alles in het werk heeft gesteld om deze belangrijke figuur weer voor haar terug te winnen.
Reeds na een week arriveerde hier een priester in burgerkleding, die in opdracht van de aartsbisschop van Oviedo trachtte hem tot terugkeer te bewegen. Wij hebben natuurlijk deze priester met alle vriendelijkheid ontvangen en hem ook alle vrijheid, gegeven om alleen met br. Muñiz te spreken. Wij hebben hem aangeboden om bij ons het middagmaal te gebruiken, maar hij ging liever samen met br. Muñiz in Arnhem eten. Wij konden ook gezegd. ook dat begrijpen en hebben hem dat ook gezegd
Twee dagen later werd br. Muñiz vanuit Spanje opgebeld. Hij moest onmiddellijk komen vanwege familie-omstandigheden. Br. Muñiz weet echter maar al te goed, dat terugkeer naar Spanje het einde van zijn vrijheid betekent. Als priester heeft hij immers de schriftelijke toestemming nodig om een uitreisvisum uit Spanje te krijgen en zijn bisschop zou hem dat nu zeker weigeren.
De priester, aan de andere kant van de lijn in Spanje, bleef aandringen: „Toe nou, kom toch. Neem morgen de trein van zo en zo laat. Wij betalén alles". Er zat tenslotte voor br. Muñiz niets anders op dan het gesprek af te breken en de haak op de telefoon te leggen.
Intussen heeft br. Muñiz zijn getuigenis geschreven. Het is ongeveer 35 pagina's lang en wij hopen het successievelijk in ons blad te publiceren.
Naar aanleiding van Joh. 12:36 gaf hij aan zijn getuigenis bovenstaande titel.
Woord vooraf
Op geen enkele wijze ligt het in mijn bedoeling om in dit geschrift iemand te kwetsen of om een persoonlijk ressentiment te uiten.
Ik ben dankbaar jegens iedereen die iets heeft bijgedragen aan mijn opvoeding; ik ben dankbaar voor de liefde en de goede wil, die men daarbij aan de dag heeft gelegd. Ik zal dit altijd voor de Heer gedenken.
Ik wil hiermee ook geen autobiografie schrijven. Ik wilde slechts enkele aspekten van mijn leven naar voren halen, die mij tot mijn beslissing hebben gebracht.
Ik heb ook geen diepe ontleding willen geven van allerlei leergeschillen.
Ik heb slechts getuigenis willen geven van wat ik gezien heb. Daarom zou iemand mij onrecht aandoen, als hij een of andere zin uit dit geschrift zou isoleren en zou voorstellen als de eigenlijke en enige reden van mijn uittreden uit de roomskatholieke kerk.
Een bladzijde uit een dagboek
DIE MORGEN IN MEI. Een stralende zon drong met haar licht door de vensters en vulde het hele huis met haar tintelingen.
In de velden bloeiden de bloemen.
Daarbinnen een jonge priester. Zijn hart was vervuld van licht. In zijn ziel was de zon van een nieuw leven opgegaan.
Acht jaren waren voorbijgegaan, sinds de aartsbisschop hem naar zijn paleis riep en hem mededeelde dat hij benoemd was tot geestelijk leider van het grootseminarie.
In zijn woning besteedde hij lange dagen aan de moeilijke taak om toekomstige priesters te vormen. Bij hem kwamen de jongens hun problemen uitstorten. Zij waren eens het seminarie binnengegaan, zonder precies te weten waarom. Maar nu zij mannen werden, was het nodig om op die vraag een duidelijk antwoord te krijgen. Zij waren nu geen kinderen meer, en, - vreemde paradox in het leven ze hadden nu meer steun nodig om niet te bezwijken, meer licht om verder te kunnen gaan. En daarvoor hadden ze dan hun geestelijke leider.
Wat zouden de muren van die kamer veel kunnen vertellen. Ze zouden spreken over God, over Jezus Christus, over het rooms-katholieke priesterschap, over de heilige Moederkerk. Ze zouden er diep-bewogen woorden over laten horen. Ze zouden weergeven de intieme gesprekken, geladen vol smart en vol vreugde. Gesprekken met deze jongens, die nog nauwelijks bekomen waren van de verbazing over hun baard en snor, die groeien gingen.
Maar deze muren zouden nog veel meer vertellen. Iets wat wellicht niemand zou vermoeden. Ze zouden vertellen van de innerlijke strijd van die geestelijke leider zelf. De eeuwige strijd tussen licht en duisternis had zich van dag tot dag steeds dieper ingegraven in zijn ziel.
Die morgen in de lente brandde ook in zijn hart de zon en vulde zijn gehele ziel met licht, blijdschap en hoop. Hij was zijn nieuwe leven begonnen! Zijn waaraehtig leven.
Het was op 8 mei 1962. In zijn dagboek schreef hij:
Deze nacht kon ik niet eerder slapen dan om vier uur in de morgen.
Ik had, alvorens mij ter ruste te begeven, enige stukken uit de Bijbel (Rom. 3:10-12, 23; Ef. 2:1-4; Titus 3:3) gelezen.
Ik voelde heel het gewicht van mijn zonden op mij drukken.
„Ik ben alleen maar zonde. Alles in mij is zonde". Staande voor Gods heiligheid kon ik dit alleen maar herhalen.
Ik voelde mij wanhopig. Hoe zou ik ooit uit deze toestand bevrijd kunnen worden?
Ik zou het zelf niet kunnen. Ik voelde mij machteloos. Het was alsof ik nergens voor deugde en nergens toe diende. Altijd weer was ik gekweld geweest door de vraag omtrent mijn zonde en nooit was er in m'n ziel 'n diepe vrede geweest.
Ik biechtte steeds, ik geselde mijzelf, ik deed allerlei verstervingen, ik bad…., maar de vrede en de zekerheid wilden maar niet komen.
Wanneer zou ik ooit weten, of ik van mijn kant voldoende had gedaan?
Die vraag hield mij altijd weer bezig. En omdat ik daar nooit een antwoord op kon geven, kwam er ook nooit rust in mij. Ik was als een voortgejaagde van het ene goede werk naar het andere, als iemand die zichzelf opzweepte van boetedoening tot boetedoening.
En nu was dat gevoel van onvoldaanheid over mijzelf tot een zeldzame diepte gekomen. Het was als een roepen vanuit duistere nacht.
Maar toen deze moedeloze gedachten zich van mij meester maakten, hoorde ik ineens, opnieuw, en heel hevig de roep van de Heer: „Mijn zoon, geef mij uw hart!" Ik dacht aan de woorden: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar mijn stem hoort, en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij" (Openb. 3 : 20).
En het was alsof zich nu ineens een panorama opende van allerlei teksten, die betrekking hadden op de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus. Het was alsof ik ineens een dieptezicht kreeg op heel de barmhartigheid, die God ons in Jezus Christus betoond heeft.
Toen voelde ik mij onweerstaanbaar tot Hem getrokken.
Door twee jaar intense studie van de Bijbel was het mij duidelijk geworden, dat ik uit mijzelf niets zou kunnen doen voor mijn behoud. Ik had ook begrepen, dat Jezus Zichzelf aanbood om alles in mijn plaats te doen.
Maar ik had nog nooit zo intens, zo uniek gevoeld, dat deze woorden ook werkelijkheid zijn. Ik kon nu onmogelijk langer weerstand bieden aan deze hemelse zekerheid in mij.
Ik zag ineens in, hoe ijdel en belachelijk ik geweest was in mijn poging om mijzelf te redden uit mijn zonden, uit mijn zondige toestand en uit al de gevolgen daarvan.
En nu brak ik ineens radikaal met die pogingen van de zelfrechtvaardiging. Ik kon niet anders. Ik wilde nu niets meer doen tot mijn behoud. Ik wierp mij daarom in de armen van God de Vader, die mij Jezus Christus gaf voor mijn behoud. En ik riep het uit: „Kom, Heer Jezus, Gij zijt mijn Zaligmaker. Ik neem U aan als mijn enige, algenoegzame en persoonlijke Verlosser".
Wat er toen in mij gebeurde, is moeilijk weer te geven. De uren gingen voorbij als minuten. Alles in mij was gebed, een gesprek met Jezus, innig, vredig, vreugdevol. „Ik aanvaard U, Heer, o wonderbare liefde. Gij maakt U van mij en ik ben van U. Ik ben voor altijd uw eigendom".
Ik zal nooit meer dat moment kunnen vergeten, waarin ik geproefd heb, wat het zeggen wil: van Jezus te zijn. Mijn ziel werd overstroomd door allerlei ervaringen en vervuld met heerlijke inzichten. Ik was dankbaar, ik was zeker, ik was blij.
De onrust over mijn zonde was nu voorbij. Ik voelde mij als een kind dat bij zijn moeder uitrust, veilig, vredig. Ik was als iemand die uit de duisternis komt tot het licht; als iemand die uit de angst overgaat naar de liefde; als iemand die in de gevangenis zat en nu de vrijheid is binnengetreden.
Ik weet niet precies hoe het zo gekomen is, maar het is tot deze heerlijkheid uitgegroeid. De twijfelingen die mij steeds terughielden van de overgave aan Jezus Christus, waren nu verdwenen. Alles was nu helder in mij. Het vloeide allemaal samen tot één rijke visie. Ik wilde mijn blijdschap overal uitroepen. Ik wilde aan iedereen uiteenzetten hoe groot de liefde Gods is in Jezus Christus. Ik zag nu duidelijk in dat de argumenten van de mensen ons in de duisternis laten en in de onzekerheid, maar dat het Woord van God ons de zekerheid biedt waarnaar wij allen verlangen.
Om zeven uur in de morgen werd ik weer wakker. En in gemeenschap met Jezus Christus dankte ik al maar door: „Ik ben van de Heer en ik weet mij gelukkiger dan ooit. Hij heeft mij willen aannemen. Hij heeft mij gered. Mijn leven is nu voor Hem. Heer, heb dank, ik ben nu van U. Gij hebt mij alles willen vergeven. Gij hebt mij tot U willen nemen, niet omdat ik iets zou gedaan hebben, maar enkel uit liefde, enkel om uw erbarmen. Alleen aan U de eer. Alles in mij behoort aan U, alles wat ik ben, alles wat ik doen zal, mijn ziel en mijn lichaam. Ik ben van Jezus Christus! Alles nodigt mij uit om U te loven, de nevel van de morgen, de zon, de velden, de bergen die ik in de verte zien kan. Heb dank, o Heer!"
Een omvorming had zich in mij voltrokken. Geleidelijk aan was dat zo gegroeid, soms met geweld, soms met zachtheid stuwde het tegen de randen van mijn ziel, totdat de grote doorbraak kwam. Toen trok Hij mij geheel tot zich. Toen opende Hij aan mij Zichzelf, Hij, die de enige weg is naar het ware geluk en de vrede. Ik zal Hem nu volgen dwars tegen elke moeilijkheid in. Ik zal nooit meer de ervaring van die nacht kunnen vergeten, ook al zal ik er geen afdoende verklaring van kunnen geven. Ik kan alleen maar met de blinde van Jericho zeggen: „Eén ding weet ik, dat ik, die blind was, nu zien kan" (Joh. 9:25).
Dit is een bladzijde uit bet dagboek van de geestelijke leider van een bisschoppe lijk seminarie.
Wie was deze priester? Hoe kwam hij tot deze ervaring?
(wordt vervolgd)
Spreekbeurten prof. Muniz
Prof. Muñiz heeft reeds drie spreekbeurten gehouden in november, n.l. in de Vrije Evangelische Kerk in Amsterdam, in de Hervormde Gemeente van Woerden en in de Geref. Kerk (Vrijgemaakt) van Sliedrecht. Hij sprak over „Licht in de nacht". Ds. Hegger, die hem vertaalde, sprak daarna over: „De blinkende Morgenster".
Het getuigenis van br. Muñiz is bijzonder mooi. Dat is ook te begrijpen, want prof. Muñiz heeft niet alleen praktisch, maar ook wetenschappelijk de mogelijkheid onderzocht van het bereiken van de volmaaktheid via de menselijke krachten, ook nadat die krachten zijn aangevuld door de genade en de ingestorte bovennatuurlijke deugden. Hij was immers professor in de ascetische en mystieke theologie.
De ascese is de leer, hoe de mens door wilstraining, zelfkastijding en methodiek kan komen tot een zo groot mogelijke beheersing van zichzelf. En de mystiek is de leer over de allerinnigste vereniging met God, waarvan de hoogste uitbloei het „mystieke huwelijk" is.
Vooral in Spanje is de mystieke literatuur tot een grote hoogte gekomen. Denk maar aan Johannes van het Kruis en Theresia van Avila.
De geur van deze Spaanse mystiek kan men nog bemerken in het getuigenis van prof. Muñiz. Maar daarom is het des te boeiender om te vernemen, hoe juist hij gekomen is tot de belijdenis van de volstrekte onmacht van de mens om zichzelf te redden, ook niet met behulp van een versterkende genade, en van de volstrekte overmacht van het Evangelie, waarin het behoud verkondigd wordt enkel op grond van het werk van Jezus Christus.
Zij, die dergelijke getuigenisavonden willen beleggen, waar prof. Muñiz (met of zonder ds Hegger) optreedt, kunnen dat aanvragen op De Wartburg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1962
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 december 1962
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
