Een ernstige vraag
Een abonnee van ons blad, zelf een gewezen rooms-katholiek, stelde ons een indringende vraag.
Hij zei: Ik vind het best dat u telkens wijst op allerlei dwalingen in de r.k. kerk. Het is volkomen juist dat u steeds weer op grond van de Bijbel de Mariaverering, het vagevuur en de aflaat veroordeelt.
Maar. . . . treft u daarmee wel dö wortel van het kwaad? Al deze dingen, de Mis, het pausdom, de vervolgingen in Spanje, het zijn slechts verschijningsvormen van eenzelfde bedorven stelsel. Ze zijn als de slechte vruchten van een slechte boom, die niet anders dan slechte vruchten kan voortbrengen. U moet echter veel dieper doorstoten tot de verwrongen kern van het roomskatholicisme. U moet aantonen dat zulk een stelsel bijna noodzakelijk tot zulke resultaten moet komen.
Niet steunen op leuzen.
Dit is een ernstige vraag, die aan ons, ook aan u, lezers, gesteld wordt. Wij moeten ook het rooms-katholicisme in onze tijd opnieuw vanuit de Bijbel doordenken.
Wij zijn allemaal geneigd tot een zekere luiheid in ons denken. En de duidelijkste uiting van het luie denken is het, als wij maar klakkeloos bepaalde leuzen uit het verleden overnemen. Ik noem er een paar. In de tijd van de reformatie werd de paus, of het pausdom, vereenzelvigd met de anti-christ. Dat is ook vastgelegd in de 'Westminster-Confessie van 1643-'49.
En de Presbyteriaanse kerk van Brazilië heeft deze confessie officieel overgenomen. (Constituiicao da I.C.P. do Brasil, act. 3, parte 1 a.)
„Er is geen ander Hoofd van de Kerk buiten Jezus Christus. Op geen enkele wijze kan de paus van Rome er het hoofd van zijn, maar hij is die anti-christ, die mens van de zonde en die zoon van het verderf, die zich in de Kerk verheft tegen Christus en tegen alles wat God heet. Z:e Col. 1:18; Ef. 1:22; Mat. 23:8-10; 1 Petr. 5:2-4; 2 Thes. 2:3-4".
In 1903 heeft de presbyteriaanse kerk van het noorden van de Verenigde Staten dit artikel aldus gewijzigd: „Onze Here Jezus Christus is het enige Hoofd van de Kerk, en de bewering van welke mens ook, dat hij plaatsvervanger van Christus zou zijn en hoofd van de Kerk, is tegen de Schrift, heeft geen enkele grond in de geschiedenis, en is een aanmatiging die Jezus Christus onteert" (cap. XXV, 6 van de Westminster Confessie).
De presbyteriaanse kerk van Brazilië heeft deze wijziging echter niet overgenomen.
In de vorige eeuw heeft dr. Abraham Kuyper de leuze er in gebracht, die men ook nu nog dikwijls hoort: ,,Rome en Dordt stoelen op een wortel".
In onze tijd gaf een predikant in Nederland het volgende suggestieve beeld: De rooms-katholieke prediking is als een grote doos bonbons, met heel veel houtwol, met een prachtige verpakking en een keurig lintje, maar met heel weinig bonbons er in. De taak van de protestantse evangelisatie onder de r. katholieken is om te proberen wat meer bonbons in die doos te krijgen.
De West-minster confessie en een dons met bonbons.
De gevolgen van deze verschillende opvattingen zijn zeer ingrijpend. Wanneer men het eens zou zijn met de suggestieve voorstelling van de doos met bonbons, dan volgt daar eigenlijk uit dat alle evangelisatie onder de r. katholieken zinloos is, zolang er nog heidenen wonen op de wereld. De konklusie ligt dan immers voor de hand: Laten we toch al onze tijd en geld besteden aan het brengen van het Evangelie aan hen, die er nog nooit van gehoord hebben. Waarom dan van onze protestantse mensen kapitalen aan offers vragen, alleen maar opdat de rooms-katholieken wat meer Bijbelse bonbons in hun kerkelijke doos krijgen? En dat terwijl er massa's mensen zijn, die geen bonbons en zelfs geen doos hebben.
Is men het meer eens met de Westminster-Confessie, dan ziet men het roomskatholicisme als een bedreiging van het gehele christendom. En dan niet in de allereerste plaats als een bedreiging tot vervolging, zodra Rome weer de wereldheerschappij zou hebben veroverd. Zulke overwegingen zijn tenslotte vleselijk. Het is de begrijpelijke, maar toch veroordelenswaardige angst voor het eigen hachje.
Neen, men moet het rooms-katholicisme dan vooral zien als een innerlijke bedreiging van het zuivere Evangelie, zoals dat in de kerken van de reformatie gepredikt wordt. „De mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs.... zal zich in de tempel zetten", zo lezen we in 2 Thess. 2:3-4.
Hoe men daar verder over denkt, kunnen we even laten rusten, maar in elk geval is het feit, dat via allerlei romaniserende tendenzen binnen de kerken van de reformatie het proces van het „zich zetten in de tempel" van het roomskatholieke stelsel reeds is begonnen.
Zielkundige en religieuze ontleding.
Wij moeten daar dus allen over nadenken. De vraag die deze abonnee ons stelde, mag ons niet met rust laten. Ieder van ons moet zich over de Bijbel buigen en biddend vragen: Here, openbaar ons de diepten van uw Woord, ook ten aanzien van deze dingen.
Ik praatte met onze abonnee verder door over de vraag, wat dan wel het wezen van het rooms-katholicisme is.
In „Moeder, ik klaag u aan" heb ik het r.k. stelsel zielkundig trachten te ontleden. Ik heb daar aangetoond, hoe uit het r.k. stelsel de r.k. kollektieve ziel is gegroeid, en hoe het hoofdstreven van deze kollektieve ziel bestaat in het streven naar de macht in allerlei vormen.
Maar de zielkundige ontleding kan nooit het laatste zijn. De laatste onthulling der dingen bereiken we pas als we de religieuze faktor kunnen bloot leggen.
Zelfhandhaving tegenover God?
En moeten we dan niet zeggen, dat de religieuze kern van het rooms-katholicisme de zelfhandhaving is tegenover de soevereine God?
Op allerlei wijzen is deze zelfhandhaving terug te vinden in het r.k. stelsel. Soms grof zichtbaar voor iedere buitenstaander, zodat men zich verbaasd afvraagt: hoe is het mogelijk dat de rooms-katholieken dat zelf niet zien. Soms uiterst geraffineerd, zodat men inderdaad er moeite mee heeft om achter allerlei vroomheid en zelfs achter zelfkastijding en offerzin de handhaving van de mens tegenover de heilige God te ontdekken.
In het „Herderlijk Schrijven van de Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk, betreffende de Rooms-Katholieke Kerk", komt ook een hoofdstuk voor over: ,,Het grondverschil". Daarin lees ik: „Op alle punten heerst in het r.k. verstaan van de Openbaring de neiging om aan de mens tegenover de genade een grotere zelfstandigheid toe te kennen. Wij denken aan Maria die met haar „fiat" als medeverlosseres naast haar Zoon treedt, aan de vrije wil die de mens ook in de zonde behoudt en waarmee hij (zij het ook niet zonder de voorbereiding der „voor-komende genade") op de genade kan ingaan, aan de medewerking (lat. cooperatio) met de genade, waartoe hij geroepen is, aan de verdiensten die hij zich verwerven kan, aan het loon dat hem straks zal worden uitbetaald en aan de onzekerheid omtrent zijn eeuwig heil waarin hij in dit leven verkeren blijft, gezien de medebeslissende betekenis van zijn eigen bijdrage. Wat wij in al deze redeneringen smartelijk missen, is de bevende en blijde erkentenis van de overmacht van Gods genade die een mens rijk, maar als zodanig juist
ook klein maakt en hem van alle waan der zelfstandigheid en eigenmachtige ijver verlost" blz. 55-56.
Een antwoord vanuit oen andere wereld.
In het „Antwoord op het Herderlijk Schrijven" reageert prof. Kreling op deze beschuldiging met een filosofische uiteenzetting over de mogelijkheid van het samengaan van mensenwerk met Godswerk. „....voor de katholieke leer is Gods vrij beschikkende oppermacht zo onaantastbaar en het schepsel van de oppervlakte tot zijn diepste diepte doordringend, dat, ondanks het werken van het schepsel, Gods alles beslissende macht gehandhaafd blijft".
Maar dit is geen antwoord op het Herderlijk Schrijven. Het Herderlijk Schrijven spreekt religieus en Bijbels. Het wijst op de vele redeneringen in de r.k. leer", waarin wij juist de bevende en blijde erkentenis van de overmacht van Gods genade missen". „Een bevende en blijde erkentenis" en „overmacht van Gods genade", — zulke woorden passen niet in een handboek voor filosofie. En evenmin kan men het brokje filosofie, dat prof. Kreling hier over het wezen van God te berde brengt, een plaatsje geven in de Bijbel.
Rome beweert: Het is juist de roem van God, dat Hij schepselen maakt, die uit eigen kracht zich kunnen opwerken tot de hoogte van Gods liefde. Het is Zijn glorie, dat Hij de mens door de genade zo vergoddelijkt, dat zij zelfs de toegang tot zijn eeuwige heerlijkheid kunnen verdienen. Door de genade wordt de mens in staat gesteld daden te verrichten die in zichzelf waard zijn om beloond te worden met de eeuwige liefdevolle nabijheid van God en met de aanschouwing van Zijn intiemste wezen in de hemel.
Het lijkt allemaal prachtig. Het lijkt alsof men zo alle eer aan God wil geven. En subjektief bedoelt men dat ook zo.
Maar de hoogmoed in deze beschouwing is dat de mens met zijn eigen verstand, al redenerende, wil vaststellen wat tot verheerlijking strekt van God en wat niet. De Bijbel zegt heel duidelijk, dat God zijn eer niet zoekt in de eigen werkzaamheid van de mens. Sinds de zondeval is er maar één weg, waarlangs wij het welbehagen Gods over ons kunnen trekken. Dat is de weg van het geloof. Daardoor worden wij één met Jezus Christus. Daardoor gaat Gods Zoon in ons leven en zo ziet God met welgevallen op ons neer, omdat Hij in ons de geliefde gestalte van zijn eigen Zoon ontdekt, omdat wij door het geloof een lid zijn geworden van het Lichaam van Christus.
„Want indien Abraham uit werken gerechtvaardigd is, dan heeft hij roem, maar niet bij God". (Rom. 4:2). Het lijkt mij dat dit duidelijke taal is, die lijnrecht ingaat tegen de filosofische beschouwingen van de r.k. kerk. Paulus weet ook goed, dat niemand iets uit eigen kracht kan doen zonder de instandhouding van de Schepper. En dat dus indirekt alle roem die een mens zou toekomen, ook aan God toekomt. En toch zegt hij zo stellig: „. . . . dan heeft Abraham roem, maar niet bij God". — De verklaring daarvan is altijd weer, dat Paulus (en met hem heel de Bijbel) spreekt vanuit een andere achtergrond. Bij Rome staat altijd weer een filosofische beschouwing van de mens op de achtergrond. Maar de Bijbel spreekt de mens aan in zijn zondigheid, in zijn volstrekte ver
lorenheid tegenover God. De Bijbel verdoemt en vervloekt de mens zonder meer, en spreekt hem slechts vrij in Jezus Christus en in niets en niemand anders.
Geloof en filosofie.
Maar ik wil er nu niet verder op doorgaan. Ik hoop hier nog meerdere keren op terug te komen. Want het gaat hier over een totaal andere zienswijze. Hier is van toepassing: „Maar de natuurlijke mens aanvaardt niet wat komt van de Geest Gods. Hij beschouwt bet als dwaasheid. Hij is niet eens in staat deze dingen te vatten; alleen de Geest onderscheidt ze. De geestelijke mens daarentegen kan alles beoordelen; en niemand kan hem beoordelen. Wie is doorgedrongen in de gedachten van de Heer? Wie zou Hem iets kunnen leren? Onze gedachten echter zijn die van Christus" (1 Cor. 2:14-16. R.K. nieuwe vertaling). Ook ik heb vroeger het protestantisme als een grote dwaasheid beschouwd. Met geringschatting zag ik neer op de protestantse theologen vanwege hun weinige filosofische scholing. Hun schrijven vond ik maar stuntelig.
Het is zo erg moeilijk om je geest zo geheel en al om te schakelen. Paulus zegt het weer zo treffend: „Wij zijn wel zwakke mensen, maar wij strijden niet met menselijke middelen. De wapens waarmee wij strijden, zijn geen aardse wapenen; ze zijn geladen met Gods kracht, in staat elke burcht te slechten. Wij werpen menselijke redeneringen omver, elke verschansing door de hoogmoed opgeworpen tegen de ware Godskennis. Wij nemen elke gedachte gevangen om haar te onderwerpen aan Christus". (2 Kor. 10:3-5. N.R.K.V.)
Daarom moeten wij wel beslist zijn in de afwijzing van de r.k. menselijke redeneringen, maar toch ook veel geduld oefenen. En volhouden. Altijd maar weer opnieuw het heilbrengende levende Woord Gods verkondigen. In het vertrouwen op de Here die het zaad doet ontkiemen en in de kracht van zijn Geest die ons tot profeten heeft aangesteld. Tot lof en eer van zijn machtige naam. Halleluja. Ja, amen.
H. J. Hegger
SPREEKBEURTEN Br. FERNANDEZ.
Br. Fernandez vertrekt pas begin november naar Z.-Amerika. Gedurende heel de maand oktober kan hij dus nog zijn getuigenis geven. Aanvragen voor dergelijke spreekbeurten gelieve men te richten tot: mevr. YV. G. Hegger Kleinhout, Eg. Blocklaan 4, Kortenhoef. Tel. 0 295015938.
Het centrale adres van ds Hegger in Canada is: 12 Williamstreet, BRAMPTON (Ont.)
REDAKTIEWISSELING.
Tijdens het verblijf van ds Hegger in Canada en Amerika zal de redaktie behartigd worden door ds J. Gravendeel, Ev. Coppeelaan 41, Genk, Limb. België.
NEDERLANDSE ANTILLEN.
Beleefd worden de Abonnee's verzocht bij verhuizing, of het niet ontvangen van de maandbladen, mij even op te bellen op tel. 1398, Oranje Stad Aruba, waarvoor bij voorbaat dank. C. A. Vis, Alablancastraat 12, Simon Antonie. Oranje Stad, Aruba. Tel. 1398.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1961
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 oktober 1961
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
