In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

UITBUNDIG KLOKGELUI

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UITBUNDIG KLOKGELUI

5 minuten leestijd

Klokgelui oefent altijd een bijzondere aantrekkingskracht op mij uit, misschien wel omdat dit geluid met mijn gehele jeugd verweven is. Onze naaste buren waren de paters capucijnen, de „zusters van liefde", de zusters clarissen en „de Broeders" , een kloostergemeenschap waarvan er velen bij het rooms katholieke onderwijs waren. Vanuit al deze kloosters hoorden wij op gezette tijden een lieflijk klokgelui. „Dek maar gauw de tafel, want de paterkes hebben al geluid". Dat zei mijn moeder vaak als ik uit school kwam en het bijna etenstijd was. Of wel kwam een buurvrouw informeren wie er toch wel trouwde of begraven werd, want „er werd toch zó geluid!" Zij voegde er ook wel eens ongedeugend aan toe dat het wel „een goede" zou zijn, waarmede zij dan bedoelde: een rijke. Zongen wij als kinderen niet vaak als wij bij een begrafenis de klok hoorden luiden: „Mijn heer pastoor, daar is een lijk. Is 't een arm of is 't een rijk"?

Thans na zeer veel jaren woon ik opnieuw onder het bereik van het klokgelui van een rooms-katholieke kerk, en ik luister er altijd met genoegen naar, of het vroeg is of laat.

Nu gebeurde het dezer dagen dat ik op een van mijn avondwandelingen een rooms-katholieke kerk passeerde. Ik had vanuit de verte al klokgelui gehoord, maar toen ik voorbij ging, daverden de klokken zo luid boven mijn hoofd dat ik er m'n ogen van dicht kneep. Het was beslist geen lieflijk gebeier, veeleer een doordringende roep: Kom toch, kom toch! Dat hoorde ik er althans in en ik kon de verzoeking niet weerstaan om aan de uitnodiging gevolg te geven en zo trad ik de kerk binnen. Ik bemerkte al gauw dat maar heel weinig mensen in het uitbundige klokgelui een zelfde uitnodiging hadden gehoord als ik, want in die enorme kerk zag ik alleen een kleine vrouwengroep vooraan bij het altaar zitten. Maar wat mij allereerst opviel was een groot Mariabeeld met een schat van bloemen en brandende kaarsen er om heen en op een kleine afstand daarvan een Christusbeeld, dat hoewel ook versierd, het met heel wat minder moest doen. Ik nam plaats in een van de banken en ik zag hoe een priester met een zilveren ketting omhangen, voor het altaar op en neer liep, van rechts naar links en omgekeerd en, al heen weer gaand, luid het „Weesgegroet" voorbad, waarop door de aanwezigen met de tweede helft van het „Weesgegroet" geantwoord werd: „Heilige Maria, Moeder van God, bidt voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood, amen." En het scheen wel of er geen einde aan kwam. Daar in die bank gezeten en luisterend naar het eentonige herhalen van de vele „Weesgegroeten", vroeg ik mij af: Zouden zij nu bij die voortdurende herhalingen nog nadenken? Wat bidt hij toch vlug! Zou hij nooit gehoord hebben: Niet om de veelheid uwer woorden? Nu kan ik begrijpen waarom de boeddhisten hun gebedsmolens hebben! Men kan hiermede immers nog meer gebeden opzenden en in korter tijd?

Na het rozenkransgebed beklom de priester de preekstoel en hield een gezellig praatje over foto's die tijdens een uitstapje gemaakt waren en die men nabestellen kon. Ik weet wel, dat er door andere priesters heel wat betere preken geleverd worden, maar de tegenstelling tussen het uitbundig klokgelui en dit kleine groepje vrouwen dat naar zulk een babbeltje kwam luisteren, was toch wel wat erg sterk.

Toen ik de kerk verliet, dacht ik: Wat heeft de „moederkerk" tot nog toe haar kinderen veel onthouden. En ik huiverde voor de grote schuld, die deze kerk op zich heeft geladen door tot voor kort zo weinig het voedsel van het levende Woord Gods aan de mensen te geven. Want de honger van een mensenziel wordt niet gestild door galmende klokken, door geen Godslamp en geen wierookgeuren, door geen kaarsenbrand en door geen rozenkransgebed, hoe devoot dit alles ook aandoet.

Als kinderen leerden wij, en de rooms-katholieken zingen het nog:

U Rozenkrans bemin ik,

Reeds van mijn vroegste jeugd.

Ik zal U nooit verlaten,

In droefheid of in vreugd;

Tot het ogenblik

Van mijn laatste snik,

Bij dag, bij nacht blijft gij,

O Rozenkrans, bij mij.

O Rozenkrans, ik eer u,

Verheven hemelpand,

Dat w' aan Maria danken,

Aan Hare Moederhand.

Moeder van den Heer,

U zij dank en eer

Voor t grote liefdeblijk,

Aan hemelgunsten rijk.

Laten wij hopen, dat vele roomskatholieken door het lezen van de nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament een nieuw lied zullen gaan zingen, het lied van de verlosten der eeuwen, dat zo diep en rijk van inhoud is:

Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen

de macht en de rijkdom en de wijsheid en de sterkte

en de eer en de heerlijkheid en de lof.

En alle schepsel in de hemel op de aarde en onder de aarde en op zee

en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen:

Hem die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof

en de eer en de heerlijkheid en kracht tot in alle eeuwigheden.

(Openbaring 5:13).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1961

In de Rechte Straat | 32 Pagina's

UITBUNDIG KLOKGELUI

Bekijk de hele uitgave van maandag 1 mei 1961

In de Rechte Straat | 32 Pagina's