Onze lieve vrouw van Banneux
En onwillekeurig dacht ik toen aan het antwoord van Rehabeam, dat hij bij zijn troonsbestijging aan het volk gaf: „Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal uw juk nog verzwaren; mijn vader heeft u met zwepen getuchtigd, maar ik zal u tuchtigen met gesels" (1 Kon. 12 : 14). Op deze woorden is toen de scheuring van het rijk van Israël gevolgd. Hoe kan rnen dan verwachten, dat Rome en Reformatie ooit weer bij elkander komen, wanneer een paus de Mariaverering ook officieel verplichtend stelt (Pius XII in: Fulgens Corona) en wanneer de rooms-katholieke theologen ook al de heiligenverering als eis van een volgroeid christelijk leven gaan tekenen?
Aan het slot van het boek volgt een hartelijke aanbeveling voor het bidden van de rozenkrans, vooral in het gezin. Hij vind het niet erg, dat daarmee „wel eens uiterlijke bedrijvigheden, zoals kousen stoppen of jurkjes maken mede gepaard gaan".
DE SFEER VAN HET BOEK.
Het boek is niet kleverig-sentimenteel, maar ademt een sfeer van grote sublimering.
Even echter merk je toch de celibatair, die buiten het gewone leven staat, wanneer hij op pag. 105 schrijft: „Evenals ook wij, opgroeiend, de psychologie van onze aardse moeder telkens beter begrijpen en er nieuwe horizonten in ont dekken die ons, in uitdrukkelijkheid althans, eerst waren ontgaan". Ik geloof, dat geen enkele normale mens zich bezighoudt met het ontdekken van nieuwe horizonten in de ziel van zijn moeder. Ik meen dat dergelijke uitingen beslist in het erotische vlak liggen. Zo zal wel een jongen schrijven over zijn meisje, waarop hij verliefd is, en zo beleeft ook de man in een gelukkig huwelijk de gelukkigmakende diepten van de vrouwelijke psyche. Maar zo spreek je niet over je eigen moeder. Dat is een geheel andere verhouding.
Al is de sfeer van het boek dan gezuiverd van geestelijke zwoelheid, toch tref je ook bij Schillebeeckx telkens weer pogingen aan om Maria zo hoog mogelijk te verheffen. Op het plan van de heiligheid „overtreft Maria onmetelijk de andere heiligen". Waarom dit goddelijk attribuut van de onmetelijkheid aan Maria toeschrijven? Vrome overdrijving? Maar een theoloog als Schillebeeckx zou zich daarin toch moeten beheersen.
Ook houd ik niet van zinnen als: „Zij is de levende schoot, waarin, als in een tweede moedergebaar, de lange negen maanden van ons zwaar gedragen leven gedijen tot heerlijke verlossing en verrijzenis" pag. 150. Wanneer wij werkelijk tot Maria zouden moeten bidden, dan lijkt het me niet erg behoorlijk om dergelijke vergelijkingen te maken over haar schoot. Maria is toch ook een vrouw. En als het onbetamelijk is om in een gesprek met een dame zo maar vergelijkingen te maken over een indragen van ons leed in haar schoot, waarom dan niet als het gaat over de gezegende der vrouwen?
Zeer gevaarlijk vind ik zijn uitdrukking op pag 148, waarin hij de verhouding tot Maria noemt: „de meest intieme verhouding van een nooit-eenvoudig-genoeg klein kind tot zijn moeder". Voor Maria moet je dus worden als een zo eenvoudig mogelijk klein kind! Dat is ook de indruk, die het boek van Schillebeeckx geeft: een volwassen mens met het hart van een kind, die al de energie van zijn geniale kop besteedt om Maria, die hij als zijn moedertje ziet, zo hoog mogelijk te verheffen.
Zo is het ook te begrijpen, dat Schillebeeckx allerlei devotiepraktijken goedkeurt. „De mens heeft zulke steunpunten nodig. Hij heeft er behoefte aan met zijn hand de rots te strelen waar de Moeder Gods verschenen is. Hij stelt er prijs op, op zijn knieën, ja kruipend de trappen te bestijgen bij de zoveelste statie van de kruisweg". Ja, maar als God er nu eens geen prijs op stelt? Die vraag stelt Schillebeeckx niet eens. De Joden stelden er ook prijs op om de ware God, Jawhe, te vereren in het gouden kalf. Ze hadden er behoefte aan om de kracht van de onzichtbare God voor te stellen in het beeld van het jonge stierkalf. En Aaron meende, dat het volk zulk een steunpunt nodig had. En toch was de toorn Gods over deze beeldenverering verschrikkelijk.
DE BEGINSELEN
Een eerste beginsel, van waaruit Schillebeeckx zijn Mariologie opbouwt, lezen we op pag. 68: „De exegese heeft nu eenmaal niet het laatste woord wanneer het openbaringsgegevens betreft". Het is wel goed om dit eens zo uitdrukkelijk te horen bevestigen van een moderne rooms-katholieke theoloog Ik geloof, dat daarmee wel goed de relatieve waarde van de gesprekscentra gedemonsteerd wordt Zelfs wanneer een protestant aan een rooms-katholiek theoloog op Bijbelse gronden volkomen de onjuistheid van rooms-katholieke stellingen heeft aangetoond, dan nog helpt dat niet Doodgemoedereerd zegt dan zo'n rooms-katholiek theoloog:„De exegese heeft nu eenmaal niet het laatste woord"
IN DE PAUZE:
Het juicht in mij.
Geachte Ds. Hegger,
Allereerst wil ik de redaktie bedanken voor dit mooie en leerzame blad. Ik kan U niet zeggen, hoeveel of ik hieruit heb geleerd.
Vorig jaar lag het in mijn bedoeling over te gaan tot de rooms-katholieke kerk. Die kerk boeide mij. Ik wist het niet meer, totdat ik br. Kuin had horen spreken in Amsterdam in de Pniëlkerk.
Ik begon te twijfelen. Was de rooms-katholieke kerk dan misschien toch niet zo ideaal als men mij had voorgeschilderdf Lag het dan misschien toch in de bedoeling van Jezus, dat ik gereformeerd bleef?
Ik ging verder zoeken. Ik abonneerde mij op In de Rechte Straat. En toen werd ik uit de droom geholpen en ik vond Jezus.
Nu ben ik ruim een half jaar belijdend lid van de kerk.
Ik moest dit schrijven, ik kon niet anders. Hoe moeilijk moeten al die mensen het gehad hebben met hun keuze:Jezus of de rooms-katholieke kerk. Ik kan het nu begrijpen. Ik heb die strijd zelf ook doorgemaakt. Je wordt op het laatst moedeloos. Maar eindelijk dan de weg naar het Licht!
Als je die eenmaal hebt gevonden, loop je de hele dag te zingen. Zo ging het in mij. Als ik 's morgens opsta, juicht het binnen in me. Hoe goed is God! Wat is het fijn, dat Jezus ook voor mij aan het kruis is gestorven.
Ds. Hegger, kan ik misschien iets doen voor de l.R.S.? Ik wil dolgraag meewerken om het Evangelie te verspreiden.
Ik eindig deze brief met U Gods zegen toe te wensen,
w.g. Jannie Scholten, Rijksstraatweg 1, Bhricum.
Een ander beginsel lees ik oa op pag. 87 „Wij moeten voor ogen houden, dat goddelijke verlossing van mensen toch een menselijk vrij-aanvaarde en aldus een voor ons verdienstelijke verlossing is" „Tevens misduiden de protestanten Maria's moederlijkheid, omdat ze de persoonlijke, verdienstelijke medewerking van de mens in zijn redding loochenen En deze laatste misvatting is wellicht de grond van de miskenning van Maria's waarachtige grootheid in het gebeuren van de Menswording"
Inderdaad, de voorstelling van zaken die prof Schillebeeckx geeft, vinden wij (vergeef ons dit harde woord, maar wij mogen niet zwijgen) zonder meer goddeloos Ik wil dat duidelijk maken met een voorbeeld
Veronderstel: iemand is kwaad op het leven, kwaad op de mensen, kwaad op alles Hij wil wraak nemen door de hand aan zichzelf te slaan Hij werpt zich in het water
Maar op dat moment komt er een ander mens langs Die aarzelt niet, springt hem na, en waagt zo zijn leven
De drenkeling heeft op het laatste ogenblik berouw gekregen Hij ziet het dwaze van zijn daad in en nu hij daar zo vlak bij een redder ziet, grijpt hij diens hand en wordt zo op het droge getrokken
En wat zoudt u er van denken als deze man meteen zou opspringen en het bekende gebaar met duim en wijsvinger zou maken en tot zijn redder zou zeggen:„Nu moet je mij belonen; ik heb zo of zoveel verdiend, want ik heb uw reddende hand vrij aanvaard" Zou dit niet schaamteloos zijn? Zou zo iemand niet verdienen om weer terug in het water geworpen te worden?
En toch, prof Schillebeeckx zegt in wezen hetzelfde Wij mensen waren tegen God opgestaan en we hebben er daarmee een eind aan willen maken We hebben ons door de zonde in de eeuwige dood geworpen.
Maar Jezus Christus zag ons zo wegzinken en kreeg medelijden met ons Hij sprong in de vloed van Gods toorn en waagde niet alleen, maar gaf ook metterdaad zijn leven voor ons.
Christus reikte ons de reddende hand en nu mogen wij aan deze Christus die de verschrikkelijkste pijnen doorstond, die voor ons neerdaalde in de hel van de verlatenheid Gods, loon vragen En dat loon is dan niet een loon uit genade alleen, neen, we hebben dat loon ook verdiend, want we hebben immers de verlossing door Jezus Christus „vrij aanvaard" Dit is schaamteloos, brutaal, goddeloos, - ik kan er geen woorden voor vinden Om zo tegenover zulk een goddelijke redder, die het laatste van Zichzelf gaf voor ons, die ons bevrijdde van de ellende, die wij zelf ons op de hals hadden gehaald, te gaan staan met het gebaar van de duim en de wijsvinger:„Ik heb dat loon toch immers verdiend, want ik heb uw reddende hand vrij aanvaard"
Vrij aanvaard… Alsof je die hand had mogen weigeren Dat is immers nog veel zwaardere zonde als je die hand na zulk een liefde van Christus nog zou wegstoten en door je ongeloof bewust wil wegzinken in de eeuwige dood.
En toch ontwikkelt Schillebeeckx van hieruit heel zijn Mariologie Hij besluit daaruit zelfs tot het deelgenootschap van Maria in de objektieve verlossing „Haar geloofsfiat biedt tevens de objectieve mogelijkheid van het heil voor alle mensen Daarin staat Maria niet meer op dezelfde lijn als haar mede-verloste mensen en geloofsgenoten" „,Haar geloofsfiat op de Boodschap van de verlossende Menswording is, als bewuste, vrije toeëigening van haar eigen christelijke verlossing, ook een mede-constitutief element van de in Christus voltrokken historische verlossing van heel het mensdom" pag 81.
Wel benadrukt Schillebeeckx dat de medewerking van Maria in de objectieve verlossing louter ligt op het plan van de aktieve ontvangenis. „Maria's verdienstelijkheid zelf ontsnapt in geen enkel punt aan de albeheersende verdiensten van Christus zelf, zodat zij, op het plan van de historisch concrete verlossing, nergens optreedt als een tweede verlossingsbeginsel parallel met Christus" p. 81.
Misschien begint het de meeste lezers nu te duizelen. Maar moet ik de leer van Schillebeeckx nog verder voor u uitpluizen? Moet ik u het verschil uiteenzetten tussen subjectieve en objectieve verlossing, tussen representatieve en persoonlijke verlossing, tussen de vrijwarende en de verlossende verlossing, tussen Maria als typus van de verloste kerkgemeenschap en als moeder van de kerk en van de volkeren?
Neen, ik heb er zelf geen zin in. Althans niet in ons tijdschrift. Wij willen het Evangelie verkondigen. Het Evangelie, dat de mens met al zijn pretenties onder het oordeel brengt. Het Evangelie, dat de mens aanklaagt, omdat hij zich altijd maar weer handhaven wil tegenover de oneindig heilige God, soms in brutale hoogmoed, soms door middel van allerfijnste filosofie of theologische onderscheidingen. De mens, die er zich zelfs op beroemen wil ,dat hij dan toch maar de redding vrij aanvaardde! Onze verlossing is een „menselijk vrij-aanvaarde en aldus verdienstelijke verlossing" pag. 87.
Maar wat is goddelozer:het brute heidendom en het zelfbewuste humanisme, of deze zelfhandhaving met een christelijk vernisje? „Vrij-aanvaard en dus verdienstelijk"! En toch weer „ontsnapt Maria's verdienstelijkheid niet aan de albeheersende verdiensten van Christus".
Van de ene kant belijdt men, dat wij schepselen zijn, dus beperkt in alles, maar van de andere kant plaats men één der onzen, Maria, tussen God en ons en noemt haar de „omnipotentia supplex, de smekende almacht". Eén van ons is dan toch in zekere zin gelijk aan God, almachtig, … nu ja, almachtig door de alles doordringende kracht van haar smekingen, maar dan toch werkelijk almachtig. Is het te verwonderen, dat een humanist, die dit alles door heeft, spuwt op zulke schijn nederigheid? Is het te verwonderen, dat dan de individualpsychologie in de godsdienst alleen maar een kompensatie-systeem ziet van de geestelijk-zwakke mens? Een veredelde vorm van de oudste dochter, die langs de weg van vleierij over vader tracht te heersen en zo over het hele gezin en in die zin een smekende almacht kan betekenen, meestal tot schrik van de andere leden van het gezin?
Als mens heb ik diepe bewondering voor het knappe betoog van Schillebeeckx, maar als gelovige heb ik er een diepe afschuw van. Ware godsdienst, zoals de Bijbel ons die voorhoudt, is restloos wegwijken voor de toorn van de almachtige God. Geloof is je op genade of ongenade overgeven aan God, die het volste recht heeft om ons voor eeuwig te veroordelen. En - Gode zij dank - het zal blijken altijd een overgave op genade te zijn. Geloof is zelfverbrijzeling, vermorzeling des harten, waardoor je alles uit handen geeft, en alleen maar hulpeloos en schuldig staat tegenover de driemaal heilige God. Geloof is alleen maar vol dankbaarheid opzien naar Hem, die je uit diepe duisternis gered heeft en je heeft 12 geplaatst in zijn wonderbaar licht. Geloof is Gods wil volbrengen uit innerlijke behoefte, uit dankbare wederliefde, zodat je niet eens gemerkt hebt, dat je zoveel goede werken hebt gedaan:„Here wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt en hebben U gekleed?" (Matth. 25:37 - 38).
Rooms-katholieke theologen, komt tot inkeer! Eens zult u zich niet meer kunnen verschansen achter uw folianten. Eens zal Gods toorn u daar vandaan slepen.
Dan zal de webbe van allerlei filosofische spinsels, al zijn ze nog zo ragfijn naast elkaar geweven, de schande van uw naaktheid niet meer kunnen bedekken. Dan zal de Vader u zijn verwerping in het gezicht slingeren:Waarom hebt u nog pretenties durven voeren tegenover het verschrikkelijke lijden en sterven van mijn Zoon op Golgotha? Uw verlossing heeft het bloed van mijn Zoon gekost, en dat zit u onder elkaar te theologiseren, of de vrije aanvaarding van deze genade verdienstelijk is, en u durft dat zelfs nog bevestigend te beantwoorden. Hoe durft u het woord „verdienste" nog te gebruiken, als u op Golgotha gezien hebt, hoe Ik de volle vervloeking van uw zonde op mijn Zoon heb geladen, hoe Ik Hem toen van Mij heb afgestoten in de volstrekte verlatenheid, die u verdiend had door uw zonde? Gaat weg van Mij, gij, werkers der ongerechtigheid, want de gerechtigheid ontvangt ge alleen door het geloof, niet door de werken!
Ik weet het, de meeste roomse theologen zullen lachen met het bovenstaande. Ze zullen het bombast, retoriek, holle frasen noemen. Maar Jezus heeft eens voorspeld:„Daarom zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar". (Matth. 23:34, 35).
Ieder, die in de kracht des Geestes het Woord van Christus verkondigt, is zijn profeet. Allen zijn wij geroepen om profeten van Jezus Christus te zijn. Welnu als profeet van Jezus Christus verkondig ik,
„dat uit werken der wet geen vlees voor Hem zal gerechtvaardigd worden" Rom. 3:20.
„Waar blijft het roemen dan? Het is uitgesloten. Door welke wetf Der werken? Neen, maar door de wet van het geloof. Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet". Rom. 3:27 - 28.
„Degene echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid, gelijk ook David de mens zalig spreekt, die God gerechtigheid toekent zonder werken". Rom. 4:5-6. Israël is verworpen, „omdat het hierbij uitging niet van geloof, maar van vermeende werken" Rom 9:32
„Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek" Gal 3:10
„Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf:het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme" Ef 2:8-9
En op grond van deze woorden, die Jezus Christus door zijn apostel Paulus spreekt, verkondig ik aan ieder, die denkt de hemel te verdienen, aan ieder, die de zaligheid verwacht op grond van zijn goede werken, dat hij voor eeuwig verloren zal gaan Ieder echter - hij moge nog zulk een groot zondaar zijn - die zijn hoop alleen stelt op Jezus Christus, op zijn dood en opstanding, mag ten volle verzekerd zijn van zijn eeuwig behoud Jezus is onze enige en volkomen Zaligmaker en zijn zaligheid wordt ons deel alleen langs de weg van het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
