Maria, moeder der verlossing
Prof. Dr. E. Schillebeeckx O. P. is zeker één van de meest originele rooms katholieke denkers van onze tijd. Hij heeft niet alleen een briljante geest, maar kan zijn overdenkingen ook weergeven in een prachtige stijl. Je leest zijn boeken met veel plezier. Eén van zijn boeken heet „Maria, moeder der verlossing". Het verscheen in 1954 en ik heb hier de vierde druk van 1959. Het is beslist de moeite waard om dit boek eens te analiseren. Is er een kentering ten goede in de nieuwere rooms-katholieke theologie? Is met name de Mariologie wat gematigder geworden. Worden er pogingen ondernomen om de lasten van deze buitenschriftuurlijke inzettingen, die op de schouders van de oprecht gelovige rooms-katholieken drukken, wat te verminderen?
NOG ZWAARDERE LASTEN
Tot mijn spijt moest ik konstateren, dat prof. Schillebeeckx de lasten nog verzwaart.
Allereerst scherpt hij nog eens de verplichting in om Maria te vereren. „Beweren dat de uitdrukkelijke Maria-verering facultatief is, op grond van het besef dat alle eer en glorie van de Maagd volledig teruggaan op de verlossende Christus, is zoals ook paus Pius XII het in „Fulgens Corona" schrijft, een wanbesef" pag. 122.
Blijkbaar was onder vele rooms-katholieke theologen de logische gedachte opgekomen: Als alle eer, die wij aan Maria toebrengen, toch slechts uitloopt op de verheerlijking van Jezus Christus, waarom moeten we Maria dan nog apart gaan huldigen? Is het dan niet beter om al je gelovige aandacht te richten op Jezus Christus, in wie al de volheid der godheid lichamelijk woont (Col. 2:9)? Waarom mogen we dan niet ons geheel en al overgeven aan dit Lam, dat voor ons is geslacht, en dat „waardig is te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof"? (Openb. 5:12). Waarom mogen wij niet uitsluitend de hoogheid van de Heiland bezingen? Deze konklusie, hoe logisch zij ook is, mag toch niet getrokken worden, zegt Pius XII en prof. Schillebeeckx beaamt dat natuurlijk.
Hij geeft daarvoor twee redenen aan. Allereerst omdat Maria het moederlijk aspect in de verlossing vertegenwoordigt. „De verlossingsliefde van God is een vaderlijke en tegelijk moederlijke liefde", zegt Schillebeeckx op pag. 101. Wij kunnen het daarin met hem eens zijn, maar wij wijzen ten stelligste de konklusie af, die hij daaruit trekt. Hij zegt n.1. dat in Jezus als man niet de moederlijke mildheid van Gods goedheid tot uitdrukking kan worden gebracht. „Maria werd door God uitverkoren om dit moederlijke aspect te vertegenwoordigen in haar persoon. Dit lijkt wel de diepste reden te zijn waarin de medeverlossing door een vrouw, een moeder, haar innigste begrijpelijkheid vindt" pag. 102-103. Maar, beste man, wat een filosofische spekulaties! Waarvoor heb je dan nog de Schrift nodig, wanneer je er zo op los kunt filosoferen? Bovendien: waarom heeft Jezus dan geen kinderen gehad? Dan had Hij het vaderlijk aspekt van de goddelijke goedheid toch nog veel meer tot uitdrukking kunnen brengen. Heus, met redeneren kun je alle kanten op, waarheen je…. zelf maar wilt. Trouwens uw bewering, dat de Godheid zich in Christus niet totaal heeft geopenbaard, vind ik zeer gevaarlijk en tref ik nergens aan in de Bijbel. Integendeel, overal lezen wij, dat God Zich enkel in en door Zijn Zoon openbaart. „Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien." (Joh. 14 : 9).
En vervolgens tracht Schillebeeckx zijn zienswijze aannemelijk te maken door een vergelijking met de schepping, „die niets toevoegt aan God" en „toch haar eigen onvervangbare waarde bezit".
Maar deze vergelijking gaat beslist niet op. Het is wel waar, dat wij God loven en prijzen om de heerlijkheid, die Hij in zijn schepping ten toon spreidt, maar we gaan daarom nog niet die schepping zelf vereren. We gaan daarom niet neerknielen voor de zon of de maan. God verheerlijken om zijn schepping is nog iets anders dan religieuze hulde brengen aan die schepselen zelf. Triest is het daarom te lezen: „De eigenheid van de Maria-kultus, die dan ook in zijn uitdrukkelijkheid een levensnoodzakelijke voorwaarde is, althans tot de volle uitbloei en de normale vollroeidheid van het christelijk leven. . . ." p. 123. „Wie uitdrukkelijk bewust is van de plaats die Maria in het heilsbestel werd toegewezen, kan Maria dan ook in zijn uitdrukkelijk geloofsleven niet verwaarlozen, zonder tekort te doen aan de roeping van God, omdat dit mysterie als geloofsdogma mede tot de kern zelf van de christelijke godsdienst behoort", pag. 124.
ROOMSE MISLEIDING ? — In de cursus Una Sancta, les 18, pag. 281 staat: „Het is echter mogelijk over te gaan tot het katholieke geloof zonder dat men iets voelt voor de praktijk van de heiligenverering" (De schrijver laat dit ook slaan op de Mariaverering).
Als Pius XII uitdrukkelijk verklaart, dat de Mariaverering niet facultatief is, dan mag de Una Sancta de mensen niet naar hun kerk lokken door te beweren dat die Mariaverering geen verplichting is. Moeten wij dit niet brandmerken als misleiding? Al willen we met het oordeel der liefde aannemen dat het geen bewust bedoelde misleiding is.
Toch zijn er in de vijf jaar dat deze cursus via allerlei advertenties gratis wordt aangeboden, reeds 40.000 niet-katholieken, die op deze cursus hebben ingeschreven. Het ware te wensen dat deze 40.000 ook geregeld ons blad lazen om een tegenwicht te hebben tegen de eenzijdige voorlichting van Rome.
Wat heb ik zelf vroeger niet geleden om deze verplichte Mariaverering. Ik heb het altijd aangevoeld als zijnde in strijd met mijn diepste religieuze tendenzen. Achteraf gezien lijkt het wel of God steeds weer roet heeft gegooid in mijn Mariale eten. Als ik „gesmuld had van devotie tot de Moedermaagd" (een rooms-katholieke uitdrukking), dan had ik er daarna een grote afkeer van. En zo heeft Hij mij gevoerd naar het zuivere Evangelie.
We zien hieruit ook, dat de kloof tussen Reformatie en Rome steeds dieper wordt.
De nieuwe theologie, waarvan Schillebeeckx een van de beste vertegenwoordigers is, noemt de Mariaverering dus heel uitdrukkelijk een verplichting.
Schillebeeckx gaat echter nog verder. In mijn publikaties heb ik altijd de oude leer van Rome weergegeven, dat het goed en nuttig is om de heiligen te vereren, maar geen plicht. Schillebeeckx schrijft echter: „In die zin is de heiligenverering - althans in het algemeen en abstractie genomen van bepaalde devotiepraktijken - een plicht voor elke christen. De volledige Christus die wij vereren met heel zijn uitbloei van heiligen" pag. 120. „Uitdrukkelijke Christusverering zal dan ook onvermijdelijk uitgroeien tot uitdrukkelijke heiligenverering." pag. 120. Ik beklaag de rooms-katholieke mensen, dat men nu niet alleen de last van de verplichte Mariaverering - dat was in mijn tijd ook al - maar ook nog de last van de verplichte verering van de andere heiligen op de schouders gaat leggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
