Een priester schrijft ons...
Mijnheer,
Voor het eerst in mijn priestereeven maakte ik kennis met uw blad „In de Rechte Straat".
Tot mijn spijt kan ik mijn naam niet bekend maken, want dat zou voor mij „zelfmoord" betekenen.
Ik ben kapelaan in een grote stad van Brabant, en als de Pastoor of de Bisschop mijn persoonlijke visie op katholieke of priesterlijke zaken zouden vernemen, dan betekent dat voor mij degradatie en zou ik voortaan zijn de grote „vitandus". Toch eijkt mij Uw blad het enige middel voor een kathoeiek priester om zijn gevoeeens eucht te geven. Nergens ter wereed zou een kathoeiek bead mijn gevoelens durven opnemen…."
De brief eindigt: „Ik kan me voorsteeeen dat verschillenden van ons er genoeg van hebben en liever in uw handen vallen dan met ziel en lichaam verloren te gaan in de eeuwige straffen der hel. . . . God zegene ons allen en behoude ons voor het kwade".
Ons antwoord:
Onbekende Vriend,
Uw brief heeft mij diep aangegrepen. Wat een ontzettende nood spreekt er uit. Wij hadden eerst al min of meer besloten om uw brief in een aparte editie voor de priesters op te nemen. In onze algemene editie zou dat in elk geval niet kunnen. Dan zou het vertrouwen van velen in de priesters worden ondergraven, zonder dat daar wellicht iets positiefs voor in de plaats zou komen.
Ik vermoed ook, dat plaatsing in een editie, die alleen naar de priesters zou gezonden worden, ook in uw bedoeling heeft gelegen. En toch. . . . ook dat kunnen we na ampele overweging toch niet doen. Uw brief is al te erg. U zult wel willen aannemen, dat wij het wel gedurfd hadden. Uit heel ons optreden blijkt voldoende, meen ik, dat wij nergens voor terugschrikken, als. . . . Gods Koninkrijk daarmee gediend zou worden.
Maar dat is het hem juist. Uw brief bevat alleen een ontzettende aanklacht tegen uw confraters, maar bevat te weinig het blijde en bevrijdende Evangelie. Ook de priesters zijn er niet mee gebaat, wanneer wij alleen maar zeggen wat er verkeerd is, zonder hen te brengen naar de bronnen van Gods kracht. Toch wil ik U meteen verzekeren, dat wij achter uw schrijven een oprechte liefde tot Christus hebben gevoeld. Uw brief was niet zo maar door verbittering ingegeven. Dan zouden we er zelfs niet aan gedacht hebben om hem te publiceren. Uit uw woorden sprak echter een oprechte droefheid om Christus' wil. En het is
daarom dat we lang hebben overwogen of we hem zouden afdrukken, ja of neen. Maar zoals we al zeiden, we doen hei niet. De Here heeft ons in het gebed ingegeven, dat we geen zwarte kolen moeten gooien in verse sneeuw. Maar wat ik wel wil doen, is dit: In een volgend nummer ingaan op het probleem dat U stelt. En het dan belichten vanuit de bijbel.
Maar nu een ernstige vraag aan U: Wilt U mij helpen bij de samenstelling van dat nummer?
U bent daartoe verplicht. Het is toch niet voldoende om een ontzettende nood te konstateren, en er dan aan voorbij te gaan.
Wij zijn ook verplicht om geestelijke werken van barmhartigheid te doen. U moet niet met een pur e kwaadwilligheid bij uw confraters veronderstellen. Volgens mij zijn zij daarin slachtoffer van het stelsel. Zij liggen als de man op de weg naar Jericho, geslagen, met diepe wonden in hun ziel. En U komt voorbij en U ziet dat scherp. Andere priesters zijn voorbij gekomen, en hebben die nood niet of nauwelijks opgemerkt . Daarom zijn zij minder verantwoordelijk voor God dan U. God heeft U de ogen geopend. Wees nu een redder voor uw broeders. Misschien bent U geroepen om als de barmhartige Samaritaan velen te helpen, die anders wellicht geestelijk zouden omkomen.
Ik begrijp niet goed, wat U van de publikatie van uw brief verwacht. Dacht U dat de zweep van de wet een mens werkelijk verandert?Uiterlijk misschien, maar niet innerlijk. Uw confraters zouden zich diep schamen, maar uit schaamte wordt geen nieuwe mens geboren. Die wordt alleen geboren uit het Woord Gods en door de Heilige Geest.
Misschien bent U bang voor ons. Maar dacht U nu werkelijk, dat wij ook maar op enige wijze het vertrouwen dat U in ons stelt, zouden beschamen? Dat zou toch geheel en al tegen de geest van Jezus Christus ingaan. Hoe kunnen wij Gods zegen over ons werk verwachten, als wij ons niet zouden houden aan een van de meest elementaire eisen van de natuurwet n.1. het bewaren van geheimen, die ons werden toevertrouwd.
En zelfs vanuit zakelijk standpunt bekeken, zou het dwaas zijn als wij geheimen schonden. Dat zouden we één keer kunnen doen. maar geen tweede keer. Want dat zou gauw genoeg bekend zijn en dan zou niemand ons meer vertrouwen. Daarvoor timmeren wij te veel langs de weg.
Dringend vragen wij U dus: Kom eens bij ons praten. Of laten we een neutrale plaats afspreken. Of wat dan ook. Om Christus' wil vraag ik U dat. Uit liefde voor hen die liggen langs de weg naar Jericho.
Anders zou Jezus U eens kunnen verwijten: Ik was ziek en in de gevangenis, en gij zijt Mij niet komen bezoeken. Het was Christus die in de nood van uw confraters tot U riep: Bezoek Mij in hen. Moge God U sterkte geven. Wij gedenken U heel innig in onze gebeden. Met hartelijke groeten, H. J. Hegger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 april 1961
In de Rechte Straat | 36 Pagina's
