In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

Op de korrel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op de korrel.

4 minuten leestijd

In de vijfde les van de catechismus der Ned. bisdommen wordt over het beeld Gods in de mens gehandeld. De tekst luidt er a.v. Wat is het voornaamste in de mens? Het voornaamste in de mens is de ziel, want de ziel is een onsterfelijke geest, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Er onder staat de volgende tekst: Laat ons mensen maken als ons beeld, op ons gelijkend; hij heerse over de vissen der zee, de vogels in de lucht, de viervoetige dieren en over heel de aarde met alles wat er op kruipt. (Gen. 1:26).

Hieruit mag men dus besluiten dat het beeld Gods volgens Rome te vinden moet zijn in de menselijke ziel als zodanig. Er staat immers: „want de ziel is een onsterfelijke geest, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis". Nu is het inderdaad zo, dat Rome leert, dat het Godsbeeld in de mens alleen in zijn ziel teruggevonden wordt. God heeft immers een vrije wil: „ God sprak: er zij licht, en er was licht". Zo ook heeft de mens een vrije wil. God is verstand: „God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed." Zo ook heeft de mens verstand, want hij is naar Gods beeld gemaakt.

In de catechismus ten gebruike van al de bisdommen van België in 1952 uitgegeven staat het nog duidelijker uitgedrukt. Daar lezen wij immers op de vraag (vra 48) „wat is de ziel?" volgend antwoord: „De ziel is een geest, die door God werd geschapen naar zijn beeld en gelijkenis, om verenigd te worden met een lichaam."

Op de vraag waarin dan die gelijkenis bestaat antwoordt vraag 49 dat „de ziel geschapen is naar het beeld en de gelijkenis van God, doordat ze begaafd is met verstand en wil, en tevens geroepen is tot het bovennatuurlijk leven van de genade".

Wanneer wij nu echter aan de Heidelb. catechismus het antwoord gaan vragen op de vraag „Waarin bestaat het beeld Gods in de mens?" dan is het antwoord daar a.v.:

6 vr. Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapenï Antw.:Neew, Hij; maar God heeft den mens goed en naar zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware rechtvaardigheid en heiliheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen."

Hier wordt dus niet de ziel als het voornaamste in de mens genoemd, waarin dan de zetel van de gelijkenis Gods zou zijn waar te nemen, maar hier wordt de ganse mens als geschapen naar Gods beeld en gelijkenis bestempeld. Ook schijnt het beeld van God dat men in de mens zou terug vinden, hier meer een zedelijk, dan een wezenlijk karakter te dragen. M.a.w. het beeld Gods in de mens schijnt hier veel meer te bestaan in het feit, dat de mens voor de zondeval , juist door zijn zedelijke deugden van goedheid, rechtvaardigheid en heiligheid, op God geleek, dan wel door zijn bestaan onafhankelijk van God gezien. De mens was wel Gods beeld, maar alleen gezien in zijn verhouding tot God. Zei hij dit pakt met God op, dan kwam de vraag of hij nog een beeld van God was, op losse schroeven te staan, waarin alleen de gemene gratie hem als mens zou doen stand houden. Wat in ieder geval klaar en duidelijk is, is het feit dat de Schrift de ganse mens als zijnde gemaakt naar Gods beeld en gelijkenis, beschouwt. Er staat immers niet: „laten wij een deel van de mens maken naar ons beeld en gelijkenis", maar „laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis."

Een andere vraag, die in dit verband oprijst, is deze: Vanwaar komt toch die verdeling van de mens in twee delen? Hoe komt men er toe te spreken van een hoger, en een lager deel in de mens? Waarom zegt men zomaar dat het voornaamste in de mens de ziel is? Is dit schriftuurlijk of steunt deze verdeling niet veel meer op de rede (Plato's wijsbegeerte)? Al deze vragen hoop ik in een volgend artikel, wanneer ik spreek over de zondeval, te beantwoorden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1960

In de Rechte Straat | 18 Pagina's

Op de korrel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 mei 1960

In de Rechte Straat | 18 Pagina's