VRAGEN aan de r.k. overheid
Ja, deze vragen richten wij niet aan de rooms-katholieke leken. Zij zijn het in hun hart zeker niet eens met de dingen, die wij nu gaan opsommen.
Wij richten deze vragen tot het officiële gezag in de rooms-katholieke kerk. Wij zijn overtuigd, dat er in het hart van meerdere rooms-katholieke geestelijken een oprecht verlangen leeft naar vrede met de broeders en zustersvanallechristeijke kerken.
Maar wij weigeren te geloven in de oprechte oecumenische bedoelingen van de rooms-katholieke kerk, zolang zij niet overgaat tot afschaffing van de hieronder volgende bepalingen. Integendeel, zolang Rome vasthoudt aan deze verschrikkelijke wetten, moeten wij onze protestantse geloofsgenoten op indringende wijze waarschuwen voor 'lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo tot slavernij te brengen' (Galaten 2:4 b).
En ook al zijn de rooms-katholieke priesters, die aan de oecumenische gesprekken deel nemen, op zichzelf hoogstaande en eerlijke mensen, gezien vanuit het roomskatholieke stelsel moeten wij hen blijven beschouwen als 'binnengedrongen valse broeders' (Galaten 2:4 a).
Wij mogen daarom geen ogenblik voor hen gedwee uit de weg gaan, zoals ook Paulus dat niet heeft gedaan. 'Wij zijn voor hen geen ogenblik gedwee uit de weg gegaan, opdat de waarheid van het evangelie ook verder bij u zou blijven' (Galaten 2:5).
Wij verklaren daarom uitdrukkelijk, dat elke stap van toenadering tot de rooms-katholieke K E R K zinloos is,
indien ROME niet bereid is over te gaan tot:
1. Afschaffing van het verbod om de m o g e l ij k h e i d aan te nemen, dat de reformatorische geloofsopvattingen juist zijn en dat Rome dwaalt. (Codex Iuris Canonici, c. 1325)
2. Afschaffing van het gebod om in geval van twijfel eerder te luisteren naar wat Rome zegt dan naar wat de Bijbel zegt. (Vaticaans Concilie, Denzinger, Enchiridion, can. 1839. Letterlijk: 'De uitspraken van de Paus (die hij ex cuthedra doet) zijn uit zichzelf onveranderlijk', ('ex sese irreformabiles').
3. Afschaffing van het verbod om zich op de hoogte te stellen van de protestantse geloofsovertuiging door het lezen van protestantse boeken. (C. I. C., can. 1399).
4. Afschaffing van de discriminatie van de protestanten, zoals die is vastgelegd in can. 2314, § 1, waarin de protestanten officieel als eerlozen (infames) worden gebrandmerkt.
5. Afschaffing van het verkliksysteem, waardoor rooms-katholieken verplicht zijn om protestanten bij de kerkelijke overheid aan te brengen, indien het rooms-katholieke geloof daardoor gevaar lijdt (C. I. C., can. 1935, § 2, en Denzinger, Enchridion, can. 1105. Dit laatste is een uitspraak van paus Alexander VII, die zegt, dat men zelfs de protestanten moet aanbrengen, ook al heeft men geen bewijzen, (si probare non pos sis) mits men maar persoonlijk er van overtuigd is.).
6. Herroeping van de uitspraak van Leo X, dat het verbranden van protestanten geen zonde is. (Denzinger, Enchiridion, can. 773).
7. Afschaffing van de vervolging in Columbia, waar — volgens een petitie, die door 14.000 Columbiaanse protestanten werd ondertekend — in de laatste 12 jaar 116 protestanten om hun geloof werden gemarteld en ter dood ge-bracht, waar in diezelfde periode 66 kerken werden verbrand of opgeblazen en 48 kerken zijn gesloten door de burgerlijke overheden.
Alsmede afschaffing van de vervolging in Spanje, waar b.v. protestanten, die rooms-katholiek zijn geweest, geen geldig burger-huwelijk mogen sluiten. De Paus, die met zijn soeverein gezag een einde maakte aan het instituut van de priester-arbeiders in Frankrijk, heeft zeker ook de macht om de stopzetting van deze vervolgingen te bewerken.
Aan de Nederlandse bisschoppen vragen wij, of zij bereid zijn om:
8. Op het komende concilie hun invloed aan te wenden — vooral nu Mgr. B. Alfrink tot kardinaal werd verheven — opdat bovengenoemde bepalingen worden afgeschaft.
9. Hun goede wil reeds nu te tonen door afschaffing van de bepaling, die alleen voor de Nederlandse bisdommen geldt, dat het n.1. aan rooms-katholieken verboden is om de preken in de protestantse kerken bij te wonen. Dit is een verzwarende bepaling, die de Nederlandse bisschoppen bij de algemene kerkelijke bepalingen hebben gevoegd, en die zij daarom zelf kunnen opheffen. *)
Overtredingen van bovengenoemde bepalingen wordt in de meeste gevallen automatisch gestraft met doodzonde en de eeuwige verwerping in de hel.
Wij kunnen daarom onmogelijk het gebed om de eenheid, dat door de roomskatholieken is opgesteld, meebidden, zolang bovenstaande gewetensknechting gehandhaafd blijft. In dat gebed wordt aan God gevraagd, dat protestanten en rooms-katholieken het wantrouwen jegens elkaar laten varen. Welnu, zolang Rome het bovenstaande blijft handhaven, zijn wij verplicht om Rome te wantrouwen. En het is de Schrift zelf, die ons oproept tot dit wantrouwen jegens hen, die ons onze vrijheid willen ontnemen, en die niet zullen rusten voordat wij bereid zijn om onze geest geheel te onderwerpen aan het gezag van de Paus. 'Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet wederom een slavenjuk opleggen.' (Galaten 5:1).
Zie hierover: 'Het Kerkelijk Recht' door P. Dr. Hubertus van Groessen, OFM. Cap. en P. Dr. Clementius van Vlissingen, tweede druk, uitg. Romen & Z., Roermond, 1958, no. 657, pag. 721.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1960
In de Rechte Straat | 21 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1960
In de Rechte Straat | 21 Pagina's
