In de Rechte Straat cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van In de Rechte Straat te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van In de Rechte Straat.

Bekijk het origineel

God sprak: „Er zij licht!"

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

God sprak: „Er zij licht!"

8 minuten leestijd

Destijds hebben mijn rooms-katholieke familie en vrienden de deur voor mij gesloten, omdat ik in hun ogen een „afvallige" was geworden. Dat heeft mij veel pijn gedaan. Ik vond echter genade en troost in Jezus Christus, en zo ben ik over dit verdriet heen gekomen. Ik ben echter zo blij dat ik nu de gelegenheid krijg om aan iedereen, maar vooral aan de rooms-katholieken, duidelijk te maken, waarom ik hun kerk moest verlaten.

Ik kom uit een familie, die van geslacht op geslacht rooms-katholiek is geweest. Drie neven zijn priester-monnik en een tante is non.

Eigenlijk al vanaf mijn zeventiende jaar benauwden mij verschillende leerstukken en gebruiken in de rooms-katholieke kerk.

Op de eerste plaats de verplichting om elke zondag de mis bij te wonen. Mijn ouders wensten, dat ik ook door de week ter kerke ging. Ik voldeed aan hun verlangen, maar…. vaak met tegenzin. Het zei me allemaal zo weinig.

Soms werd ik getroffen door een preek of een toespraak op een bijeenkomst voor het vrouwelijk jeugdwerk. Dan leek alles weer zonneklaar en meende ik de rooms-katholieke kerk als alleenzaligmakende te moeten zien.

Maar de twijfel kwam opnieuw. Geregeld biechtte ik deze aanvechtingen. Ik kreeg de absolutie, ik volbracht de penitentie (opgelegde boetedoening), maar ik bleef in de kou staan. Men ging op mijn twijfel niet in. Het waren slechts „bekoringen van de duivel", „een strijd, die elke gelovige meemaakt".

Onkuisheid!

Op de tweede plaats had ik moeite met de biecht. Waarom moest de ene mens aan de andere zijn zonden belijden, terwijl hij er niets mee te maken heeft? Waarom moet een meisje, een vrouw tegenover een vreemde man haar diepste innerlijk bloot leggen?

Ik geloofde niet meer aan het „Ego te absolvo". Ik geloofde niet meer dat de priester in de biechtstoel de plaats van Christus innam.

Toen Maria Magdalena tot Jezus kwam, werd zij toch ook niet tot een bekentenis gedwongen. Jezus zei alleen maar: „Uw zonden zijn vergeven".

Waarom moet je als meisje beslist „iets ernstigs" biechten? Waarom kun je niet alleen maar gewone tekortkomingen hebben? Waarom wordt er in de biechtstoel altijd gevist naar onkuisheid? (O, ik haat dat woord). Waarom kan een omgang tussen een jongen en een meisje niet gewoon zijn, zuiver en rein? Wanneer beiden hun omgang zien als een voorbereiding op het huwelijk, als een inleiding op het toekomstige ouderschap, dan hoeft er niets bijzonders te gebeuren, dan hebben beiden respekt voor elkaar en dan valt er niets te biechten.

Het was God en God alleen, die mij gevormd en geleid heeft. Aan zijn hand ben ik die hele lange weg gegaan, vaak door een onmogelijk diep dal, zo diep, dat ik dacht krankzinnig te worden, maar altijd was Hij aan de overzijde en riep mij.

Maria verdrong Jezus.

De dreiging van de tweede wereldoorlog kwam nader en nader. Maria kwam steeds meer op de voorgrond in de kerk, in het jeugdwerk, waarin ik intussen als leidster van 8-10-jarige meisjes was benoemd.

Het schreeuwde in mij: hulp voor de wereld moet van God komen. „Nee", zeiden anderen, „Maria moet onze voorspreekster zijn" en Maria werd het middelpunt in het jeugdwerk.

Ik voelde mij er niet langer thuis. Ik kon die kinderen niet leiden volgens de richtlijnen, die wij maandelijks ontvingen en bedankte als leidster en lid van het vrouwelijk jeugdwerk.

In de biechtstoel heb ik alles aan de parochiale directeur, die ook mijn biechtvader was, uiteengezet. Maar ook hij beschouwde dit als bekoringen, waaraan ik weerstand moest bieden, waaruit ik gelouterd te voorschijn zou komen. Mijn verzoek tot ontslag werd derhalve niet geaccepteerd.

Ik hoop, dat u dit zult begrijpen, het was me innerlijk onmogelijk zo verder te gaan. Aan de kinderen heb ik toen gezegd geen club meer te zullen leiden en op grond van deze handelwijze werd mij schriftelijk door bovenbedoelde parochiale adviseur medegedeeld, dat het hem, gezien mijn gedragingen, beter leek, er mee op te houden!

Derhalve niet eerst kontakt opnemen buiten de biechtstoel om, niet informeren wat er aan hapert, niet trachten mijn moeilijkheden uit te praten en te helpen (hij wist alles via de biechtstoel), neen, zo, hoepla! op straat gezet! Aan de ene kam een enorme opluchting, aan de andere kant miste ik de kinderen. Niet lang daarna werd elke vorm van jeugdwerk verboden.

Het werd donker in mij.

Pas toen werd alles donker, ik voelde me alleen, kon dagenlang niet bidden, mijn handen niet vouwen.

's Zondags ging ik nog naar de rooms-katholieke kerk om mijn ouders het verdriet te sparen. Aan de kommuniebank en in de biechtstoel kwam ik echter niet meer.

Wat stond alles ver weg! Ik rilde bij het bewieroken van een mens maar hoe intens kon ik genieten van de koorzang. Wat zou ik die missen bij m'n uittreden! Winter 44. Koude en honger kwamen over ons land, binnen in mij strijd en honger naar het ware geloof, het mogen belijden van Jezus als de alleenheerser. In de rooms-katholieke kerk kwam ik praktisdh niet meer, de protestantse kerk trok mij niet. H was er zo koud en leeg, vergeleken bij de luister en de aankelding van the rooms-katholieke kerk. In mijn hart was alles dood. Het kon mij niet meer schelen. Weken en weken dobberde ik rond, geslagen en moe van het denken.

Het rooms-katholieke geloof kón het ware geloof niet zijn, maar wat dan wèl? Ik voelde mij sterk tot de hervormde kerk aangetrokken en — o wonder van Gods almacht en liefde — door mijn werk ontmoette ik iemand, die, naar wij beiden hebben mogen ervaren, reeds toen bestemd was mijn man te zullen Een gelovig mens, die in zijn leven en werk trachtte zijn geloof uit te dragen en waar te maken.

„Jaag baar het huis uit!"

In the tussentijd bracht de pastoor, door mijn moeder op de hoogte gebradht van mijn vooenemens, een bezoek aan mijn ouderlijk huis. Toen ik Zijn Eerwaarde vertelde, dat ik bij mijn plannen bleef, werd mijn vader geadviseerd mij „de deur uit te doen" (zoiets als je ontdoen van een onbruikbaar meubelstuk). Mijn vader keek hier verbaasd van op, maar voelde hier niet veel voor. Heel voorzidhtig maakte Zijn Eerwaarde mijn lieve vader er op attent, dat bij niet medewerken, de mogelijkheid zou kunnen bestaan, dat aan vader de sakramenten geweigerd zouden werden.

Ik vond dit zo onbillijk en gemeen, dat ik ogenblikkelijk besloot mijn ouderlijk huis vrijwillig te verlaten.

Pas toen kwan ik los van alle dreigementen van hellestraf en vagevuur.

Toen drong volledig tot mij door, dat ik was overgeleverd aan een wereldlijke macht, die niet schroomt, anderen, in dit geval dus mijn lieve, goede ouders, te laten boeten en te straffen voor iets, dat in hun ogen een vergrijp van hun dochter was! Ik was toen bijna dertig jaar!

„Verdrink maar in de gracht!"

In diezelf de week werd ik op de pastorie ontboden bij mijn vroegere biedhtvader. Er werd mij de vraag gesteld of ik ronduit mijn plannen bekend wilde maken, oewel hij alles wist. Aan het einde van mijn verhaal kreeg ik nog eenmaal de is terug te keren, met één „Ego te absolvo" zou immers alles weer goed zijn! Ontroerd en getroffen over zóveel bijgeloof, heb ik verteld en getuigd van Gods godheid. Ik voelde dat Hij dit wilde en Hij alleen de Zaligmaker was. Dat nóch Maria, nódh de Paus iets hieraan toe konden voegen. Het antwoord was kort en en bondig, (de pastorie stond aan een van de mooiste Utredhtse gradhten): „'k Zie je nog liever in deze gradht verdrinken, dan je naar de protestantse kerk gaan" Dit was het laatste kontakt met de roomsekatholieke kerk, juli 1945.

Ik bleef tot december in Utrecht wonen en al die maanden heb ik een panische angst gehad voor dat gedeelte van de gracht.

God sprak: „Er zij licht!"

Familie en vrienden meenden vanwege mijn gedrag de deur te moeten sluiten voor mij. Ik vond in Hilversum een nieuwe werkkring en een lief tehuis.

Ik zocht kontakt met een hervormd predikant en kreeg mijn eerste lessen. Een fijn mens, die trachtte het katholicisme te benaderen en hiervan kennelijk een diepgaande studie had gemaakt. Aan de hand van de Bijbel werd mij duidelijk gemaakt, wat Gods bedoelingen waren. Wat waren het fijne uren, Ds. W., om aanvankelijk samen met U een uurtje te praten, de profeten te belichten, samen te lezen uit de Bijbel.

Het werd me met de dag duidelijker, dat ik bevoorrecht was, dit alles zó te mogen leren zien en te mógen geloven, dat God alles in ons leven is en betekent. Dat Hij, elke dag, elk uur opnieuw ons bij de hand neemt en op Zijn weg voert. Die weg gaat vaak door het donker, maar veilig met Hem als gids. Ds. W. van hier uit nogmaals mijn welgemeende dank voor Uw hulp en Uw lessen.

Mijn dank gaat ook uit naar mijn lieve man, die alle strijd, maar ook de overwinning heeft meegeleefd, alle teleurstellingen wist op te vangen.

Mijn grootste dank gaat uit naar Hem, die dit alles deed en volbracht. Door het afleggen van mijn openbare geloofsbelijdenis werd ik opgenomen als lidmaat van de hervormde kerk. Ik voelde me intens gelukkig, het was voor mij de kroon op een jarenlange strijd, het bewijs, dat God alles wel gemaakt had.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1960

In de Rechte Straat | 18 Pagina's

God sprak: „Er zij licht!"

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1960

In de Rechte Straat | 18 Pagina's