+ Meer informatie

RIO DE JANEIRO

7 minuten leestijd

Op de voorgrond de Corcovado met het Christusbeeld. De berg iets verder op is het Suikerbrood

Angst

Allereerst die diepe rust in het volbrachte werk van Christus! Als het vliegtuig nu ineens zou neervallen, zou ik weten dat ik zou vallen in de armen van de goede Herder. Hij zou mij voor eeuwig opvangen. Wat kon ik vroeger sidderen voor de toorn van God! Dan zag ik mezelf reeds staan aan de linkerhand, terwijl weldra de Zoon van God, over Wiens liefde ik voortdurend in de Bijbel las, mij zou vervloeken. Ik zag Zijn vinger, die tussen de massa van de verdoemden ook mij aanwees, Zijn ogen die vuur schoten naar mij, Zijn stem die naar mij donderde: „Ga weg van Mij, gij vervloekte, in het eeuwige vuur" (Matth. 25:41), want als ik mezelf onderzocht in het licht van Gods geboden, dan huiverde ik: zo kan ik niet voor Hem verschijnen.

Vooral die stem van Christus! Ik was altijd geboeid door ps. 29, die prachtige beschrijving van het onweer, maar ook van de vreselijke macht des Heeren, „De stem des Heeren is op de wateren; de God der ere dondert; de Heere is op de grote wateren. De stem des Heeren is met kracht; de stem des Heeren is met heerlijkheid. De stem des Heeren doet de woestijn beven". En dan werd ik op geroepen om die God te huldigen: „Geeft de Heere de eer Zijns Naams; aanbidt de Heere in de heerlijkheid des heiligdoms". Ja, dat probeerde ik dan, omdat ik bang was voor Zijn vervloeking, maar innerlijk verzette ik mij tegen deze God. Ik haatte Hem, die op deze manier mij wilde dwingen Hem lief te hebben.

Maar hoe kon het ook anders? Ik wist dat ik mijn eigen eer zocht. Ik wist ook dat ik daartoe gedoemd was door een vreemde macht. Ik voelde mij geketend aan mijzelf. Als ik naar die machtige God toekroop om Hem de eer toe te brengen, die Hij voor Zichzelf opeiste, dan wist ik heel goed, dat die God mij ten diepste niet interesseerde. Het ging alleen om mezelf. Er was geen greintje liefde in mij voor Hem te bespeuren. Ik wilde alleen maar die verschrikkelijke hel vermijden.

Als ik aan dat onuitblusbare vuur dacht, dan deinsde ik ontzet terug en wilde wel alles doen om daar nooit in terecht te komen. Dan wilde ik wel mij vernederen en de hand kussen van Hem, die onder zulke vreselijke bedreigingen van mij vorderde dat ik Hem zou aanbidden en liefhebben.

Maar ik voelde heel goed dat dat slechts veinzerij was, pure angst-berekening. Daarom walgde ik tegelijk van mezelf. Ik doorzag mijn huichelarij tegenover God. En toch schrok ik ook weer van mijn eigen huichelarij, want ik wist daardoor tegelijk dat ik niet de echte liefde voor Hem had, maar diep in mijn ziel haat tegen Hem koesterde en dat ik daarom eens toch veroordeeld zou worden naar die eeuwige hel.

De laatste jaren had ik geprobeerd die persoonlijke God te ontvluchten door Hem te hullen in een rookgordijn van mystiek. Ik was Hem gaan beleven als de Oneindige, de Eeuwige, de Onmetelijke, de Absolute. Wegdromend in die steeds verder wijkende begrenzing van mijn eigen „ik" meende ik Hem te ontmoeten, maar het was alleen maar een vaag „Het". Ik zag alleen maar het kleed van God, Zijn voetstappen in deze machtige schepping. Maar ik zag Hem niet. Ik durfde niet naar Hem op te zien.

Vrede met God

Hoe dankbaar ben ik dat ik nu de levende God heb leren kennen in Jezus Christus als mijn volkomen Zaligmaker. Ik mag nu vol eerbied en ontzag, maar tegelijk in alle rust opzien naar Hem, want tussen Hem en mij staat voor eeuwig de Middelaar, Jezus Christus. Ik hoef Hem niet meer te omfloersen met wolken van mystiek. Ik mag het nu weten: „Want wij hebben geen Hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden" (Hebr. 4:15-16).

Het is de Heere Zelf, die mij deze vrijmoedigheid geschonken heeft. Onverwoestbaar is die rust in Christus. Onvergankelijk dat geloof, omdat het niet een werk is van mijzelf, maar van Zijn Heilige Geest. Het is die eigenaardige ontsluiting van het geheim Gods, dat licht, die zekerheid in Jezus Christus! Geen mens zal precies kunnen beschrijven wat die wedergeboorte eigenlijk is. Je bevindt het slechts in jezelf. Het is iets hemels. Het is Christus, die in je leeft, ja leeft! (Gal. 2:20). Het is Zijn Geest, die in je is gaan wonen, zelfs in je lichaam als in een tempel, vanwaaruit Hij Zijn onuitsprekelijke verzuchtingen naar Omhoog zendt (Rom. 8:26).

En juist omdat je weet dat het nog steeds dezelfde God is, die je ook nu nog vervloeken moest, wanneer daar niet de Middelaar, Christus, was, daarom is je liefde zo diep en zo intens. Je weet immers nu ook dat het niet is op grond van je liefde dat je met volle vrijmoedigheid tot deze geduchte God mag gaan. Je hoeft je dus geen zorgen te maken of je Hem wel echt en wel hevig genoeg liefhebt. En juist daarom kan die liefde voor Hem zich vrijuit en breed ontplooien. Daarom slaan uit die liefde voortdurend de vlammen naar Hem omhoog, de vlammen der dankbaarheid, steeds weer opnieuw.

Je weet nu dat de zekerheid van de vrede met God niet rust op iets in jezelf, maar uitsluitend op iets buiten je, op het werk dat Christus in mijn plaats volbracht heeft. De verdiensten van Christus mag ik mij toeëigenen langs de weg van het geloof, maar het is niet op grond van de verdienstelijkheid van mijn geloof. Anders zou ik nóg geen zekerheid hebben. Dat geloof geeft mij slechts het zicht op Christus, waardoor ik weet dat al die rijkdommen van genade ook voor mij zijn.

Ik zei het al: dat geloof is bijna niet te omschrijven. Het is ook weer heel verschillend bij de een of de ander. Het is in elk geval de gemeenschap van een zondig mens met Christus, een zondig mens die zich gereinigd weet door Zijn bloed. Dat geloof is een soort uittreden uit jezelf, echter geen mystieke extase. Het is roemen in de God van de ontferming, ja dat vooral ook. Het is dankbaarheid.

Het werd stil in het vliegtuig

We bleven wel een kwartier boven Santos, blijkbaar 'de wachtkamer' voor het vliegveld van ã, cirkelen. Ik herinner mij dat ik na mijn uittreden mijn eerste vliegreis maakte van Rio naar São Paulo. Iemand van de gemeente van ds. Adriël had het ticket betaald. Toen moesten we ook lang blijven cirkelen, voordat we konden dalen. Nu was er een stralende zon, toen was het zeer bewolkt en regenachtig.

Het werd stil in het vliegtuig. Ik stelde mij de mogelijkheid voor, dat we tegen een wolkenkrabber zouden vliegen. Echt bang was ik toen al niet meer. En tóch, wat een verschil met nu! Toen was er nog maar een klein begin van het kennen van Jezus Christus. Dat zal vermoedelijk bij de meesten wel zo zijn. Het geestelijk leven is een groei. In de „verborgen omgang" leer je de Heere steeds beter kennen in alle rijkdommen van de ontferming, die Hij in Zijn Woord tentoonspreidt.

„Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus" (Ef. 1:3).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.