+ Meer informatie

De onmogelijkheid van het priestercelibaat

7 minuten leestijd

Wij hebben meerdere malen gewezen op het bijbelse celibaat zoals dat door Paulus wordt getekend. Dat is de ongehuwde staat die een antwoord is op een bijzondere roeping — niet van de kerk — maar van God. Mensen die daartoe om wille van het Koninkrijk geroepen worden, ontvangen tevens de gave der onthouding, een van de gaven van de Heilige Geest, — niet een gave die de kerk schenken kan —, die in 1 Corinthiërs beschreven worden.

Het rooms-katholiek priestercelibaat is echter iets totaal anders. Zij is niet een roeping van God, maar van de rooms-katholieke kerk. Ze is ook eigenlijk niet een roeping, maar een wet. Immers een roeping ontspruit aan het diepste innerlijk van de mens, maar een wet wordt van buiten af opgelegd.

En juist Paulus predikt voortdurend dat de wet niet het leven kan schenken, maar door de zonde die in ons woont, oorzaak wordt van de dood. Dat is ook duidelijk het geval bij het verplichte priestercelibaat.

Klacht van een r.-k. priester

De Vara heeft daaraan enkele radio-uitzendingen gewijd, waarin twintig priesters aan het woord komen die nog in het ambt staan, maar tegelijk een duurzame relatie onderhouden met een vrouw. Wij wisten reeds lang, dat dit heel veel gebeurt met rooms-katholieke priesters.

Toen wij in 1962 een nummer van ons blad dat geheel gewijd was aan het celibaat, naar alle priesters stuurden, ontvingen wij een brief van een priester, die wij nooit hebben durven publiceren, omdat wij dachten dat men dit toch niet zou geloven. Misschien wordt die brief nu aannemelijker na de dokumentaire van de Vara.

Hij schreef: „Voor het eerst in mijn priesterleven maakte ik kennis met uw blad „In de Rechte Straat". Tot mijn spijt kan ik mijn naam niet bekend maken, want dat zou voor mij „zelfmoord" betekenen. Ik ben kapelaan in een grote stad van Brabant.

„We mogen wel iets hebben"

Ook nu lijkt het ons niet goed om die brief onverkort te publiceren. Hij is te schokkend. We willen slechts iets uit de inhoud aanhalen.

„Hoe leven die priesters die in de vroege morgen de konsekratie verrichten en het Woord Gods verkondigen — hoe leven die priesters die geweldig te keer gaan tegen de onkuisheden van hun parochianen?

Deze priesters houden in de avond bijeenkomsten met hun collega's — ze noemen dat „krans". Men zou denken dat daar ernstig gesproken wordt over de belangen van de katholieke kerk. Niets ervan. Onder het drinken van zeer dure wijnen en het roken van zeer dure sigaren worden allerlei moppen verteld, waarvan de inhoud zelfs niet in allerlei gewaagde blaadjes op onze stations te koop is.

Men lacht en maakt zich vrolijk over elk onderdeel van het vrouwelijk lichaam en wie de meest pikante grapjes vertelt, is de held van de priesters. Op één van die kransen boven de Moerdijk was zelfs een priester die met een kleine beweging van zijn hand een zakdoek kon omtoveren tot een b.h. De gehele schare van priesters vond die vinding zo „enorm", dat hij zeker op tien verschillende plaatsen zijn kunst moest vertonen.

Ons priestergeslacht, de bloem van Gods Kerk, leeft als de grote heren uit de middeleeuwen.

Men schaamt zich één van hen te zijn, die met lange togen en hoeden met flossen en grote sigaren rondslenteren langs de straten en 's avonds genieten van de televisie, omdat ze dan weer iets zien van de wereld — die aanéénhangt van sexualiteit en zinnelijkheid; zo kunnen ze in het geheim ook genieten van deze wereld met de gedachte: „We mogen wel iets hebben", — terwijl ze vergeten dat ze alles hebben.

Urenlang zitten ze zich te vergapen aan meisjes met korte rokjes, die liefst zoveel mogelijk bloot zijn, en zij vergeten hun belofte van zuiverheid — en de volgende morgen buigen zij zich weer over Jezus Christus in de H. Eucharistie.

Op vele pastorieën wordt hevig gevochten, minstens door maanden of jaren niets tegen elkaar te zeggen. Meestal is de grond daarvan jaloezie en afgunst.

Wanneer een of andere priester die nog als priester leeft, bidt, en werkt, veel aanloop heeft in de biechtstoel of spreekkamer, heeft hij geen leven meer. Uit afgunst wordt hij zo geplaagd en voor de gek gehouden, dat hij besluit op aanraden van een psychiater een andere plaats aan te vragen — of, wat ook gebeurde: afgunstige collega's betichtten hem van vrijpartijtjes met meisjes in de spreekkamer of op eigen kamer en dan mocht hij van de bisschop niemand meer op zijn kamer ontvangen.

U zult begrijpen dat zij, die Jezus Christus met een ernstig hart aanhangen, walgen van dit alles".

Wie zal mij verlossen?

We zullen er rekening mee moeten houden, dat deze priester misschien wat erg generaliseert. En toch verwondert ons dat niet. Het laat ons alleen maar zien dat ook priesters gewone mensen zijn, niet beter en niet slechter dan anderen. Het laat ook zien, hoe wáár de woorden van Paulus zijn over de dodende kracht van de wet in Rom. 7. „Zo vind ik dan deze regel:.... naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde die in mijn leven is. Ik, ellendig mens!" (vers 21 - 24).

In boeken over het concentratiekamp las ik dat ook daar zich datzelfde verschijnsel voordeed. Ook daar waren mannen bij elkaar, levend onder een verplicht celibaat, zij het dan om andere redenen. Ze wisten van te voren, dat ze dat risico liepen, niet slechts van gedwongen celibaat, maar zelfs van de dood. Zij hebben dat ervoor over gehad uit idealisme. Ze streden voor de zaak van de vrijheid, van het vaderland en tegen een duivelse tirannie.

Maar het blijkt dat velen vervielen in eenzelfde soort gesprekken en grappen over de vrouw en de sexualiteit als boven beschreven wordt deer die priester. En anderen zullen daar ook wel van gewalgd hebben en ook gewalgd van zichzelf, van de kleinheid van de mens die ondanks zijn hoge idealisme toch krijgsgevangene blijkt te zijn van de andere wet, die strijd voert tegen het verstand.

Paulus heeft die vernederende wet van de gebondenheid van de mens ook in zichzelf ervaren. Maar hij heeft de weg naar de bevrijding gevonden: „Wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods? Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here!". „Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft u vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods" (Rom. 7:24; 8:1-2).

Maar voor priesters wordt die vrijmaking door Christus zeer bemoeilijkt, want ook de liefde tot Christus wordt in het rooms-katholieke stelsel tot wet gemaakt, waardoor men het eeuwige leven moet verdienen. De liefde is er niet het gevolg van het zaligmakende geloof, dat levend is en daarom uit innerlijke noodzaak uitbloeit in de liefde.

Jezus zegt: „Indien dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij waarlijk vrij zijn" (Joh. 8:36). Wanneer wij onszelf door eigen inspanning proberen vrij te maken, zal dat nooit echt gelukken. We zullen blijven zitten onder de druk van onze eigen zondige natuur. En ook de r.-k. kerk kan met haar wet van het celibaat een priester nooit waarachtig vrij maken. Dat kan alleen de Zoon Gods. En Hij doet dat ook voor ieder die zich bekeert en tot geloof komt. Dan maakt Jezus zulk een zondaar waarlijk vrij door hem Zijn Heilige Geest te schenken en „waar de Geest des Heren is, aldaar is vrijheid" (2 Kor. 3:17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.