HEILIGVERKLARING
De Bijbel kent zulk een grond voor heiligverklaring niet De Bijbel kent slechts twee heiligverklaringen:
1. De heiligverklaring van een volk dat God Zichzelf uitverkiest. Dat is in de eerste plaats het volk Israël en vervolgens het volk dat God Zich uit de heidenen verworven heeft (Hand. 15 : 14). Op grond van die uitverkiezing van dat volk worden ook de afzonderlijke leden van dat volk heiligen genoemd d.w.z. afgezonderden voor God.
2. De heiligverklaring van afzonderlijke mensen, die door God worden uitverkoren. Zulk een heiligheid ontvangt men echter niet door het beoefenen van deugden, door geweldige menselijke prestaties, maar door geloof.
Daarom wordt van de groten van het Oude Testament in Hebr. 11 niet gezegd dat ze de deugden op heldhaftige wijze hebben volbracht, maar dat ze groot zijn geweest door hun geloof.
De heiligverklaringen van de R.-K. Kerk zijn dan ook een schending van de kern van het Evangelie. Het is de ontkenning dat wij slechts innerlijk heilig kunnen zijn, doordat God ons de heiligheid van Christus toerekent, enkel uit genade dus zonder enige verdienste van onze kant, enkel langs de weg van het geloof.
Wél is er de oproep tot persoonlijke levensheiliging. Maar die wordt steeds beschreven als een werk van God Zelf.
Jezus zegt dat een slechte boom alleen maar slechte vruchten en een goede boom alleen maar goede vruchten kan voortbrengen. Sinds de erfzonde worden wij allemaal geboren als slechte bomen. Maar in Zijn genadige goedheid wil God sommigen van ons herscheppen tot goede bomen. Dat gebeurt door de wedergeboorte. Terecht zegt daarom de Heid. Katechismus: „Wij zijn zó verdorven dat wij totaal onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij wij door de Geest Gods worden wedergeboren" (Zd. 3).
In zoverre wij een goede boom zijn geworden door de wedergeboorte, kunnen wij dus niet meer zondigen: „Een ieder die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren" (1 Joh. 3 :9).
Maar bij de wedergeboorte wordt de oude boom, de zondige natuur, niet totaal uitgeroeid. Hij blijft in ons werkzaam en brengt zijn wrange vruchten voort. Dat is de strijd van geest tegen vlees in de gelovige.
In Gal. 5 : 19-22 beschrijft Paulus het verschil tussen de werken van het vlees en de vrucht van de Geest in ons. En hij vermaant dan de gelovigen: „Laat ons door de Geest wandelen" (v. 25). Zulk een vermaning zou geen zin hebben, wanneer de gelovigen alleen maar een goede boom zouden zijn.
Het goede in ons wordt dus beschreven als een vrucht van de Geest of ook wel als een vrucht van Christus, de Wijnstok, met wie wij als een rank verbonden zijn door het geloof.
Maar geloof staat juist tegenover eigen menselijke prestaties. Geloven is Christus in je laten werken. En hoe kun je dan roem verdienen vanwege het werk dat Hij in en aan ons verricht, vanwege de vrucht van de Heilige Geest, die Hij in ons heeft uitgestort?
Hoe kun je een mens gaan bewieroken, zijn beeld gaan vereren, hem in de bloemetjes zetten, kaarsen voor zijn beeld opsteken, kortom hem verheerlijken met „de eer der altaren", terwijl al het goede dat hij tot stand heeft gebracht het werk van een Ander, de vrucht van de Heilige Geest, is geweest? Is dat niet een roven van de eer die aan Christus toekomt en een ontkennen van het werk van de Heilige Geest?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 juli 1983
In de Rechte Straat | 32 Pagina's
